Trou moet blijcken

Als we eens behoefte hebben, tussen alle laconieke regeltjes en zelf relativeringen door, aan een poezie die nog poezie is, degelijk en onvervalst, dan hebben we gelukkig altijd nog Karel van de Woestijne. Willem Kloos is te waterig en jengelend voor ons, Boutens vergeeld en te gewild, alleen Karel van de Woestijne biedt het volle pond. Hij schrijft een poezie die niet meer kan en die niettemin overeind staat. Hier en daar moet ze misschien worden gestut, maar ze staat. Een monument waarvan de aanwezigheid je verzoent met het feit dat al die andere monumenten zijn verdwenen.

Zoals de ware gastronoom die weken heeft geleefd op een verantwoord dieet van nouvelle cuisine wel eens naar wat steviger kost verlangt, zo trekt de ware poezieliefhebber af en toe een echt gedicht uit de muur. Een ouwerwets gedicht, maar geen gebakken lucht. Heavy, maar substantieel. Een gedicht uit een tijd dat ze nog dichterlijk durfden te zijn. De halfslachtige pogingen van weleer interesseren ons niet langer, wat we willen is de taal van een geboren dichter. In de breedte, in de diepte en in de hoogte.

Een ster: een klompken ijs tussen mijn hete tanden.

- zoiets kan alleen bij Van de Woestijne. Zijn dichterlijkheid overtuigt omdat ze uit de ingewanden lijkt te komen. Hoogdravendheid en profetentoon waren in zijn tijd natuurlijk in de mode, het hogere `ik' genoot nog algemeen aanzien, maar bij het aanzwellen en wegebben van Van de Woestijnes muziek worden we geconfronteerd met een interne samenhang die de gewaagdste gekkigheden geloofwaardig maakt. Hij is consequent van nature. Je accepteert hem zoals hij is, want bij al zijn aanstellerijen voel je dat hij zich niet aanstelt. Hij is de vleesgeworden moeder van alle Nederlandstalige barden.

Dat hij consistent en consequent is blijkt uit het feit dat je bij elke regel uit dit gedicht wel een associatie krijgt met een regel uit een ander gedicht van Van de Woestijne -

Ik ben alleen; ik pers mijn strakke lippen samen

- je hoort onmiddellijk de regel

Ik ben met u alleen, mijn ogen droog en wijd

en ook in regels als

Ik ben de laatste peer in de ijlte van de boom

- hoor je de nodige echo's of voorafschaduwingen. 't Is of Van de Woestijne een levenslang symfonisch muziekstuk creeert rondom een paar stokregels.

Hij beschikt over een hoofdmotief en een paar nevenmotiefjes en daar overheen denderen zijn gedichten voort - meer Richard Strauss dan Debussy.

Steeds komt ook het wat ik maar noem gekke riedeltje terug, zo'n korte passage waarbij je eigenlijk in de lach zou moeten schieten maar het niet doet vanwege de onverstoorbaarheid waarmee de dichter zijn weg vervolgt. In dit gedicht is dat uiteraard de zin

terwijl mijn hart gelijk een oude zuster zwijgt

- ja, het hart wil ook wel eens zwijgen gelijk een oude drinkebroer. Het is zo'n zin die hoge ogen gooit naast

Ik ben de hazelnoot. - Een bleke, weke made bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt

of

ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de dwaze

- allemaal regels die je met een half toegeknepen neus en vertoon van veel oogwit zou moeten voorlezen om de lachers op je hand te krijgen. Voor de lach kan uitbreken is hij alweer gedempt door de volgende regel.

Dat de lezer zich bij spotternij ongemakkelijk voelt, dat er een gek soort taboe rust op het ridiculiseren van een onderdeel (je wilt wel, maar het zit je niet lekker), daarin onderscheidt zich in het geschrevene de aanstellerij van het sublieme. Het sublieme is onveranderlijk Van de Woestijnes inzet.

In dit gedicht gaat het om het streven naar stilte, onthechting vergeestelijking en oneindigheid. IJlte, het is een sleutelwoord bij de dichter. Die opperste staat van genade betekent hier beslist niet een staat van geluk. Ze wordt geassocieerd met guurheid, kilte, doodsheid `een klompken ijs'. De dichter stelt er zijn herinneringen tegenover aan de tijd van zinnelijkheid en overdadige oogst, toen hij vingers tekort kwam om zijn zegeningen te tellen.

Nu heeft hij zijn hoogste ideaal bereikt. Hij wilde deel uitmaken van de natuur en samenvallen met het heelal, en zie: hij is kil en dor geworden als de tijd en de sterren zelf. Hij moet sterren als distels kauwen, zijn lippen bevriezen in de melkweg. De hazelnoot die het tot God schopte is een vergeten God. 't Is een nogal bitter gedicht.