Politieke bekentenisliteratuur

“Ministers hoeven helemaal niet zoveel te doen. Als ze maar op kritieke ogenblikken het juiste doen.' Het is een opmerking van Frits Bolkestein in het onlangs verschenen boekje Haags Duet dat bestaat uit dagboekaantekeningen van hem en parlementair verslaggeefster Margriet Brandsma van het NOS-Journaal. Beiden geven daarin op hun eigen manier weer hoe zij de afgelopen verkiezingscampagne en daarop volgende kabinetsformatie hebben beleefd.

Wie de bijdrage van Bolkestein tot zich neemt, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat hij zijn opvattingen over het ministersambt ook op zichzelf als fractievoorzitter betrekt. Het leven was de afgelopen zomer een groot feest voor hem. Terwijl de journalist Brandsma melding maakt van het ene na het andere overleg waar ze achterheen moet hollen tennist Bolkestein in Amsterdam, Oegstgeest dan wel Warmond, fietst hij met zijn Femke in de duinen van Schoorl, of door de Watergraafsmeer, gaat naar het theater of de bioscoop en voert regelmatig tijdens een diner interessante gesprekken met mensen die ver van de Haagse politiek staan. O ja, en tussendoor was er natuurlijk ook nog de formatie.

Natuurlijk chargeert Bolkestein. Ook voor hem was de kabinetsformatie een ware uitputtingsslag. Wekenlang, heeft hij bijna dag in dag uit uren achter elkaar onder leiding van drie informateurs met de collega-fractievoorzitters van PvdA en D66 opgesloten gezeten in de Eerste Kamer. Maar zo'n onderhandelingssessie van een dag doet hij dan in zijn dagboek eenvoudig af met een woord: “verschrikkelijk'.

Het is duidelijk dat Bolkestein koketteert met zijn afstandelijke benadering van het Haagse “geurm'. Bijkomend voordeel is dat hij niet hoeft te vertellen wat werkelijk is gebeurd tijdens de formatiebesprekingen. Ze waren besloten, en blijven besloten. Toch zeggen de beperkte dagboekaantekeningen veel, over de wijze waarop Bolkestein politiek bedrijft (of moeten we zeggen bedreef?). Bolkestein was als fractievoorzitter een Einzelganger die het vooral van de hoofdlijnen moest hebben. Net als de de meeste kiezers trouwens, die niet voor niets Bolkestein als een van de helderste politici beschouwden.

Die instelling hanteerde hij ook tijdens de formatie. In zijn dagboek maakt Bolkestein geregeld melding van de eindeloze betogen die PvdA-onderhandelaar Wallage houdt (“Jacques praat de helft van de tijd') hijzelf gebruikt volgens eigen schatting slechts 10 procent van de tijd (“waarom zou ik iets zeggen als dat niet nodig is?'). Veel tijd aan overleg met fractiedeskundigen tijdens de formatie heeft Bolkestein ook niet gespendeerd als wordt afgegaan op zijn dagboek. Dat kan ook nauwelijks want hoe had hij dan nog de tijd kunnen vinden voor al die andere niet-politieke activiteiten die zo uitvoerig worden beschreven. Bolkesteins dagboekaantekeningen geven al met al toch iets weer van de cultuur die de VVD als geheel uitstraalt: politiek is belangrijk, maar er zijn ook nog andere zaken. Het moet wel gezellig blijven.

Plaats daar tegenover de PvdA. Fractievoorzitter Wallage kon de afgelopen formatie geen stap zetten zonder het `PvdA-formatieteam' te hebben geconsulteerd. Voor hem was er geen tijd om na weer zo'n slopende onderhandelingsronde lekker te gaan tennissen. Hij moest allereerst worden `gedebriefed' en daarna klaargestoomd voor de volgende bijeenkomst. PvdA-ers vergaderen graag en veel. Of het effectief is, blijft de vraag. Over de cultuur binnen de PvdA-fractie deed het ex-Tweede Kamerlid Arie de Jong in het blad Socialisme & Democratie afgelopen zomer een boekje open. Het is een treurigstemmend verhaal over chaotische fractievergaderingen waarin nooit conclusies worden getrokken, pikorde en eenzaamheid. Het leidt allemaal tot een, zoals De Jong stelt “sfeer van vrijblijvendheid, waarin een vergaande formele gelijkheid tussen de Kamerleden onderling zeer wel samen blijkt te kunnen met vergaande informele concentratie van macht bij zeer weinigen'.

Het netto-resultaat is kortom hetzelfde als bij de VVD, alleen met het verschil dat er bij de PvdA veel meer tijd mee is gemoeid.

Veel fiducie in het werk als parlementarier heeft De Jong in elk geval niet gekregen. Het individuele Kamerlid kan weinig voor elkaar brengen, meent hij. “Ik kan natuurlijk wel obligaat opmerken dat je deel uitmaakt van een fractie en dus als team functioneert, maar intellectueel en sociaal moet men zich daarbij niet te veel voorstellen. Het komt er vooral op neer dat bij de meningsvorming jouw geluid wordt vermenigvuldigd met de omvang van jouw fractie'.

Die conclusie spoort weer wonderwel met de opvatting van een ander vertrokken Tweede-Kamerlid, de D66-er Hans Jeekel. In de sector `politieke bekentenissenliteratuur' bracht hij onlangs, onder de titel Duizend dagen Kamervragen een boekje uit over zijn ervaringen als Tweede Kamerlid. Hij begon in 1995 enthousiast, maar eindigde dit voorjaar gedesillusioneerd. Jeekel zag gebeuren dat een voor de helft vernieuwde Tweede Kamer tegen alle voornemens in binnen enkele jaren verviel in dezelfde taal en dezelfde gewoontes als de `oude' Kamer. Net als De Jong maakte hij `veel beweging, maar weinig richting' mee. Politiek, aldus Jeekel, is beheer geworden waarbij reele levensvragen worden omgezet in meet- en regeltechniek.

Bolkestein, De Jong en Jeekel. Wat hen bindt is de weerzin tegen de macht van het detail dat zich keer op keer weer van het politieke debat weet meester te maken waardoor de echte onderliggende principiele vragen niet meer aan de orde komen. Maar het zijn waarnemingen van vertrekkers. Dat maakt de kans op verbetering nihil.