ONMISBAAR; de fiets

Elk jaar zijn er weer eerstejaars die van thuis hun gloednieuwe Low Rider Bicycle meenemen, als ze op kamers gaan. Nog geen twee weken later zie je ze tot laat op straat lopen, met een uitgeteerd gezicht, weggedoken in hun jas, verregend en een verwilderde blik in hun ogen. Als een bezetene spieden ze elke steeg af, dan weer schieten ze de straat over als opgejaagde dieren, turend langs de grachten en soms wanhopig op de knieen zijgend.

Het zijn de nachtbrakers van de grote stad, jonge studenten, op zoek naar hun fiets. Slachtoffers van de kille maatschappij, waarin het verschil tussen mijn en dijn velen onbekend is.

Op kamers gaan betekent afscheid nemen van vele dingen: van de hond en de goudvis, van moeders stamppot en ook van die glimmende stalen ros in de schuur. Wat rest is de jungle waar het recht van de sterkste geldt.

De scheidslijn tussen de have's en have-not's (lees: tussen fietsers en wandelaars) wordt al in de eerste dagen van het studentenleven getrokken. Het is belangrijk meteen te beseffen dat `bezit' in het lexicon van de student een zeer rekbaar begrip is. Een handig ezelsbruggetje is: zodra je op een willekeurige fiets zit, is die be-zit.

De wereld van de studentenfietsen is er een van vluchtige contacten, maar ontbeert niet geheel het menselijke element. Want het in bezit krijgen van een fiets heeft ook iets heel spiritueels: je knipt of zaagt als het ware de navelstreng door tussen lantaarnpaal en fiets. Zodra je de fiets weer wegzet, geef je hem in feite terug aan de maatschappij. Je zegt: wat van mij is is van jou, neem het maar medemens!