Mondriaan blues

DE ACTIE WAS zo on-Nederlands, dat deze wel tot opwinding moest leiden. Het ging om de aankoop van een schilderij van een New-Yorkse kunstverzamelaar, nog wel voor tachtig miljoen gulden, gefinancierd door een gift van De Nederlandsche Bank, in beslotenheid voorbereid door een museumdirecteur en een handige kunstminnaar.

Een aankoop ook die werd voltrokken zonder het parlement ervan in kennis te stellen, zonder de oud-staatssecretaris van Cultuur en de kunstpausen van het ministerie erbij te betrekken, kortom, buiten de gebaande paden van het overlegmodel om. Voor sommigen was het een voorbeeld van de regenteske wijze waarop het Nederlandse bestuurlijke establishment werkt, voor anderen een geniale manier om de Victory Boogie Woogie, het laatste werk van Piet Mondriaan, voor Nederland te bemachtigen. En voor de Rekenkamer was het reden om kritiek te leveren op de gang van zaken.

Het voornemen van De Nederlandsche Bank om een schenking te doen uit de (nog te realiseren) winst over het lopende jaar als gebaar in verband met de komende introductie van de euro en het einde van de gulden, viel samen met de plannen van een particuliere stichting om te proberen het Mondriaan-schilderij te kopen. Zo kwam het tot de aankondiging van een gift van 110 miljoen gulden aan de stichting Nationaal Fonds Kunstbezit, zonder dat overigens al bekendgemaakt werd waarvoor het grootste deel van dit bedrag gebruikt zou worden. Tijdens de zomermaanden, terwijl de onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord in volle gang waren en het parlement in sluimertoestand verkeerde, moest er snel actie worden ondernomen, want de New-Yorkse verzamelaar toonde zich bereid te verkopen. President Wellink van De Nederlandsche Bank premier Kok, minister Zalm, staatsraad en kunstminnaar Boll secretaris-generaal Geelhoed waren er ten nauwste bij betrokken. In informele contacten werd de zaak geregeld en, naar men dacht, politiek en juridisch waterdicht afgedekt.

De Rekenkamer oordeelt daar anders over. Volgens deze controlerende instantie heeft Zalm in strijd met de wet gehandeld.

Zalm heeft zich bovendien niet op zijn cooperatiefst opgesteld door te weigeren een deel van de correspondentie ter beschikking te stellen aan de Rekenkamer. Nu is een dergelijke aanvaring niets nieuws: het Nederlandse Juristenblad beschreef onlangs hoe in 1862 minister Thorbecke op zijn kop kreeg van de Rekenkamer over de aanschaf van een schilderij en enkele medailles voor het ministerie van Binnenlandse Zaken. Maar ongelukkig is het wel, temeer daar er juridische mogelijkheden waren - de Rekenkamer geeft die ook aan - om de operatie-Mondriaan binnen de wettelijke mogelijkheden van de Bankwet af te ronden.

HET RESULTAAT VAN deze artistieke zomerklucht is dat over twee weken het Gemeentemuseum in Den Haag weer open gaat met als nieuwe trekpleister het schilderij van Mondriaan; dat de president van De Nederlandsche Bank zich nooit meer met uitstapjes naar de kunstwereld zal inlaten en dat de minister van Financien beschadigd is. Een uniek schilderij is op een politiek klungelige manier verworven. Dat is treurig, waarbij ook nog uit het oog wordt verloren dat het bij kunst altijd gaat om experimentele, gedurfde stappen. De aanschaf van de Victory Boogie Woogie was zo'n uiting van experimentele durf.