Marathonschaatsen groeit uit tot serieuze bedrijfstak

Met een opwarmertje in Utrecht hebben de marathonrijders het nieuwe seizoen ingeluid. Deze schaatsdiscipline heeft de afgelopen jaren een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt.

Bij wijze van publiciteitsstuntje landden de marathonschaatsers van een nieuwe ploeg gisteren voor de seizoenspresentatie per helikopter op het middenterrein van de kunstijsbaan in Utrecht. Het tafereel dat door de beslagen ruiten van een dampende kantine met verbaasde blikken door alle andere teams werd gadegeslagen, gaf aan dat deze loot van de Nederlandse schaatsbond (KNSB) al lang geen stiefkindje meer is. De commercialisering en professionalisering neemt ook hier steeds grotere vormen aan. Marathonschaatsen is big business geworden. Vandaar dat er dit seizoen bij de mannen twee nieuwe ploegen aan het rondreizende circus zijn toegevoegd. Bovendien werd een geldschieter gevonden om de marathonzesdaagse weer nieuw leven in te blazen.

In totaal zijn er nu vijftien gesponsorde teams bij de A-rijders. Er is veel veranderd sinds een aantal marathonrijders, zoals Jeen van den Berg, Co Giling en Jan Kooiman, uit onvrede over het uitblijven van een Elfstedentocht in de jaren zeventig langeafstandswedstrijden ging organiseren op kunstijs. Aanvankelijk werden ze voor gek versleten, maar met de terugkeer van de Elfstedentocht en de natuurwedstrijden stegen de kilometervreters van het ijs in aanzien.

Tegen de verdrukking in, de schaatsbond beschouwde de langeafstandsrijders als een stel lastposten, groeide het marathonrijden uit tot een serieuze discipline. Uiteraard met behulp van televisie, sponsors en publiek. “Maar het zijn toch vooral de schaatsers zelf geweest die het marathonrijden hebben groot gemaakt', zegt Hans Brandt. Na vijftien jaar heeft de Noord-Hollander de voorzittershamer van de sectie overgedragen aan Peter Leegwater, een voormalige CDA-wethouder uit Schermerhorn.

Toen Brandt in '83 het heft in handen nam bestond het marathongezelschap uit zestig A-rijders. Inmiddels zijn er zo'n tienduizend actieve wedstrijdrijders en nog vijfduizend geregistreerde recreatieve rijders. Via de C-klasse kunnen ze zich op basis van prestatie opwerken naar de eredivisie van het marathonrijden. Brandt: “De kracht van het marathonschaatsen is dat er elke week wedstrijden zijn. Een gemiddeld talent kan met hard werken toch een plaatsje veroveren aan de top. De rijders gaan bovendien op een positieve wijze met elkaar om. Die aspecten en de televisieverslagen hebben veel sponsors aangetrokken.'

De NOS heeft zich verplicht minimaal tien KNSB-Cupwedstrijden uit te zenden. Op natuurijs komen de sponsors natuurlijk helemaal aan hun trekken met langdurige rechtstreekse uitzendingen die ook nog eens in samenvatting worden herhaald. Met deze hulpmiddelen zag Brandt zijn streven verwezenlijkt: het marathonschaatsen groeide uit tot een echte bedrijfstak. Sponsors die vroeger een pak en schaatsen gaven, werken nu met een budget van een half miljoen gulden per seizoen. “De meeste bedrijven vergissen zich er nog in. Ze denken dat ze alleen de rijders en hun trainers moeten betalen. Maar als je het echt goed doet, investeer je ook in reclame en ontmoetingsplaatsen voor zakenrelaties op de ijsbanen. Business to business komt steeds vaker voor.'

Dat het individu nu opgaat in het tactische ploegenspel stoort Brandt niet. “In de jaren dat Knetemann, Raas en Zoetemelk succes hadden in de wielersport hoorde ik daar ook niemand over klagen. Ik weet dat het publiek zich eraan kan ergeren. Maar de maatschappij verandert. Bovendien, een schaatser die zijn eigen kansen ruikt, rijdt toch voor zichzelf.'

De schaatsbond heeft de marathontak tot vijf jaar terug nooit serieus genomen.

Toen Brandt begon als voorzitter kreeg hij jaarlijks een bedragje van 15.000 gulden toegeschoven. Inmiddels is dat budget uitgegroeid tot zes ton. “Maar er vloeit van de sponsorinkomsten wel weer veel geld terug naar de bondskas. Hoe groot dat bedrag is, krijgen wij nooit te horen. Dat houdt het bondsbestuur geheim.'

Menigmaal botste Brandt met de bestuurders in Amersfoort.

“Daar heb ik echt grijze haren van gekregen. Voor een bondsvergadering zat ik mezelf in de auto altijd op te peppen. Het was steeds een kwestie van macht. Niemand wilde voor ons terrein prijsgeven. Drie keer hebben we overwogen een wilde bond op te richten. Maar dat was toch gedoemd geweest te mislukken omdat de ijsbanen dan door de KNSB in de ban waren gedaan. Met ex-voorzitter David Meijer heb ik heel wat conflicten uitgevochten. Later zijn we toch vrienden geworden. Ook met de sponsors heb ik menig robbertje geknokt. Die kijken alleen maar naar hun eigen belang, terwijl wij er zijn voor iedereen.'

In een missie is Brandt niet geslaagd: het verbreiden van het marathonschaatsen over de grens. Zover reikte zijn hand niet. Brandt, die stopt omdat hij meer tijd nodig heeft voor zijn baan als business-manager in werkvoorziening voor gehandicapten, tenslotte: “Toch wil de bond mij als adviseur inschakelen om het marathonrijden ook internationaal op poten te krijgen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen in landen als Finland, Zweden, Oostenrijk en Italie. Met internationale wedstrijden krijgt het marathonschaatsen nog meer aanzien.'