Laatste redmiddel voor de echte twijfelaars; TESTEN

In het eindexamenjaar ontdekt de scholier dat er wel honderden studies en beroepen zijn. Moeilijk kiezen? Een beroepskeuze-bureau kan helpen orde te scheppen in de chaos.

KIEZEN, kiezen, kiezen! Een scholier op de middelbare school moet vanaf het eerste jaar al belangrijke keuzes voor de toekomst maken. Welk schoolniveau? Welk vakkenpakket? Alle keuzes leiden uiteindelijk tot de belangrijkste beslissing in het leven van de middelbare scholier: de vervolgopleiding. Grote twijfelaars kunnen een beroepskeuzebureau om hulp vragen.

“Ik zat in 5 VWO en was al een keer blijven zitten. Ik had ook geen enkel idee wat ik na school wilde doen', vertelt Suzanne Hoogkamer (19). Omdat ze weer slechte cijfers haalde, besloot ze op advies van haar klassenlerares een beroepskeuzetest te doen om te kijken of ze het VWO wel aankon. “Nou, dat kon ik. Verder werd duidelijk dat een baan in de toeristische sector me goed zou liggen. Nu studeer ik toerisme in Haarlem.'

De test bestaat uit drie onderdelen: een voorgesprek, een testdag en een nagesprek. In het voorgesprek, dat met een loopbaanadviseur of een psycholoog wordt gevoerd, wordt bepaald welk testmateriaal voor het keuze-onderzoek geschikt is. Verder wordt er gepraat over de interesses van de scholier.

De testdag telt drie testen. In het belangstellingsonderzoek wordt gekeken naar de opleidingen waarin de scholier is geinteresseerd. In het capaciteitenonderzoek wordt onderzocht hoe slim hij of zij is. Als laatste volgt de persoonlijkheidstest. Per test zijn er verschillende soorten meerkeuzevragen. Zoals, in de belangstellingstest: `Kies de uitspraak die voor u het meest prettig is: A. een tuin onderhouden. B. soldeerwerk doen. C. een boekhoudsysteem opzetten'. Op de testdag worden honderden van dergelijke vragen gesteld die samen inzicht moeten geven in wat de scholier kan en wil.

Uiteindelijk volgt een nagesprek en verschijnt een eindrapport dat eventueel ook naar school wordt gestuurd.

De beroepskeuzebureaus hebben nooit onderzocht in hoeverre jongeren zich bij hun studie- en beroepskeuze hebben laten leiden door de uitslag van een test. De indruk bestaat dat veel scholieren die de test hebben gedaan het capaciteitenonderzoek het waardevolst vinden. Suzanne Hoogkamer vertelt dat dit deel van de test bij haar veel twijfel heeft weggenomen. “Ik wist niet of ik goed genoeg was voor het VWO. Uit de test bleek echter dat het makkelijk moest lukken, maar dat ik faalangst had. Daar heb ik toen een cursus voor gevolgd, ook bij het beroepskeuzebureau overigens.'

Het capaciteitenonderzoek is volgens Bastiaan Hennis (20), student Internationale Bedrijfskunde, het enige echt nuttige onderdeel van de test. Volgens hem zijn de uitkomsten van de andere testen en de gesprekken met de adviseur voorspelbaar. Hennis zat in 6 VWO en kon niet kiezen tussen `iets met het bedrijfsleven' en de marine. “Uit het capaciteitenonderzoek bleek dat ik niet snel, maar wel goed werkte. Dat gaf me vertrouwen om het VWO af te maken. Ik had daar ook met een IQ-test achter kunnen komen', meent Hennis.

Het voorgesprek met de psycholoog vond hij tegenvallen: “Wat ik toen heb gezegd, las ik later terug in het eindrapport. Terwijl dat juist was wat ik al wist.' Het bureau raadde hem aan voor een bedrijfskundige studie te kiezen. Het werd internationale bedrijfskunde in Maastricht.

De Nederlandse Vereniging voor Schooldecanen (NVS) beschouwt testen als laatste redmiddel voor een twijfelende scholier. Eef Schipper, medewerker van de vereniging, vindt dat “een test kan helpen als leerling en decaan er samen niet uitkomen'.

Over twee jaar zullen er mogelijk minder beroepskeuzetesten worden afgenomen.

Vroeger kregen de scholen een apart bedrag van de overheid dat ze verplicht aan de bureaus moesten uitgeven. Dat geld krijgen de scholen nog steeds, maar ze hoeven nog maar 30 procent ervan aan beroepskeuzetesten te besteden. In het jaar 2000 mogen de scholen helemaal zelf bepalen wat ze met het `beroepskeuzepotje' doen.

“Ik hoor steeds vaker dat rectoren hun geld liever uitgeven aan een betere opleiding van hun eigen decanen in plaats van testbureaus', zegt NVS-medewerker Schipper. Hij denkt dat de scholen nog intensiever zelf hun leerlingen over de studiekeuze zullen adviseren.

Die trend is ook op de middelbare scholen terug te zien. Havo- en VWO-scholieren moeten in de bovenbouw (`tweede fase') kiezen uit vier studieprofielen: natuur & techniek, natuur & gezondheid, cultuur & maatschappij en economie & maatschappij. Scholen bieden `beroepskeuzelessen' aan, zodat de leerlingen beter kunnen bepalen welk profiel het beste bij hen past. De beroepskeuzebureaus spelen in op deze vraag door decanen bij te scholen om de lessen te verzorgen.

Albert de Folter van het bureau AOB Den Haag/Delft (Advies voor Opleiding en Beroep) schoolt decanen bij en verzorgt zelf ook beroepskeuzelessen voor middelbare scholieren. Hij vindt dat scholieren vroeg moeten leren nadenken over hun toekomst. “Veel eindexamenleerlingen hebben vaak niet gericht over hun vervolgopleiding nagedacht. Die moeten in hun laatste jaar binnen een paar weken beslissen welke vervolgopleiding ze kiezen. Die keuze blijkt niet altijd de juiste' vindt De Folter.

Volgens Schipper is het niets nieuws om scholieren al in lagere klassen te laten nadenken over hun toekomst. “Bijna iedere school geeft zijn leerlingen beroepskeuzebegeleiding', zegt de NVS-medewerker.

De studie- en beroepskeuzetesten zijn voor hem een ander verhaal: “Decanen zullen nooit de expertise hebben die een psycholoog of een loopbaanadviseur heeft. Voor echte twijfelgevallen zal een test bij een professioneel bureau een oplossing blijven bieden.'