Kunst tegen wil en dank; Eames-expositie in Londen

Kun je nog in een stoel zitten als het een kunstwerk is? Neem Rietvelds beroemde leunstoel. Een opengewerkte Mondriaan, het houtgeworden delirium van een constructivist. Maar probeer er een avond voor de buis in onderuit te zakken en je kunt naar de fysiotherapeut. Als je wil uitrusten, moet je in bed gaan liggen, zei Rietveld zelf, mogelijk om van het gezeur af te wezen.

Generaties ambitieuze meubelmakers hebben gezocht naar een compromis tussen vorm en functie, artistieke aspiraties en nut. Rietveld faalde. Dat wil zeggen: je kunt beter naar een Rietveld kijken dan erin zitten. Terence Conran, de eerste eigenaar van Habitat, faalde ook. Zijn crapaudjes en fauteuiltjes zitten puik, maar het worden nooit `Conrans'.

Het werk uit de jaren '40 en '50 van het Amerikaanse vormgeversechtpaar Charles en Ray Eames, dat tot begin volgend jaar tentoon wordt gesteld in het Design Museum in Londen, is achteraf gezien een interessante tussenweg. De stoelen van voorgevormd multiplex, metaal en fiberglas die hen beroemd hebben gemaakt, waren van meet af aan bedoeld voor massaproductie en -consumptie, niet voor het museum. Ze pretendeerden niet meer te zijn dan betaalbare en comfortabele stoelen. En dat waren ze. Maar ze zijn de weg opgegaan van de Coldspot-ijskast en de Wurlitzer-jukebox. De originelen zijn zeldzaam geworden, verzamelaars betalen er grof geld voor en design-musea stellen ze tentoon omdat ze `een uniek tijdsbeeld geven'. Vijftig jaar na dato is het niet gek meer om te zeggen dat je in `een Eames' zit, in plaats van in een stoel. Zoals zoveel ontwerpers kregen Charles Eames (St Louis, 1907) en zijn vrouw Ray Kaiser (Sacramento, 1912) hun kans door de Tweede Wereldoorlog. In Los Angeles waar ze in 1941 naar toe waren verhuisd, perfectioneerden zij hun techniek van voorgevormd multiplex: dunne laagjes hout die in een mal met lijm in allerlei vormen konden worden geperst. Dat leverde lichte en sterke constructies op, die in de vliegtuigindustrie - tot aan de definitieve doorbraak van het aluminium - gretig aftrek vonden. Ze verdienden er genoeg mee om volgens hetzelfde principe stoelen te gaan maken.

Zoals Pastoe en Tomado het na-oorlogse Nederland hebben gestoffeerd, zo horen de Eames-meubels bij Amerika. De atoombom was er net, Tupperware moest nog groot worden. Een gezin had een vader met een das en een pijp, een moeder met een jurk en twee kinderen (een jongen en een meisje). In het weekeinde picknickten ze op een geruite deken.

De organisatoren van deze tentoonstelling - onder wie de firma Vitra de huidige exploitant van de Eames-meubellijn - stellen veel in het werk om het echtpaar voor te stellen als revolutionairen. Daar zit iets in want technisch was hun werk een primeur. Maar hoe bewijs je dat ze met hun meubels een `antwoord' probeerden te geven `op de na-oorlogse vraag naar flexibeler en minder formele manieren van wonen'? Er was na de oorlog ook vraag naar goedkope woningen voor teruggekeerde veteranen, maar het huis dat het echtpaar Eames in Santa Monica bouwde, twee schoenendozen van prefab-ijzer en glas, heeft toch weinig navolging gekregen.

Zeker, ze staan model voor allerlei ontwikkelingen in het Amerika van na de Tweede Wereldoorlog: de opkomst van de Westkust, hun geloof in de maakbare samenleving en de wereldwijde verspreiding van Amerikaanse cultuur. Kijk Charles en Ray in de ogen en het blije optimisme straalt je tegemoet. Maar om nu te zeggen dat “de kern van hun filosofie het oplossen van de elementaire menselijke behoefte aan bescherming comfort en kennis' is, zoals de catalogus wil, dat gaat wat ver. Misschien is het beter te volstaan met de droge constatering van The Washington Post dat zij de manier hebben veranderd waarop “de 20ste eeuw ging zitten'.

Het sympathiekste voorwerp op deze tentoonstelling is een langwerpig grillig gevormd stuk hout met gaten.

Het zou een Maori-sculptuur kunnen zijn, of een stuk wrakhout. Maar het is een door Eames in 1943 ontworpen spalk voor gebroken soldatenbenen - licht, sterk, goedkoop en snel in grote hoeveelheden te maken. Niet mooi, niet lelijk, zuiver functie. En volstrekt immuun voor mooipraten-achteraf. Want stel je de bebloede infanterist voor die op het slagveld zo'n spalk krijgt omgegespt en uitroept: `Wow, een echte Eames!'