KEUZEGIDS HOGER ONDERWIJS

Op 29 oktober verschijnt de Keuzegids Hoger Onderwijs. Op deze pagina: zes van de vijfhonderd beoordeelde studies beknopt besproken, bij wijze van voorpublicatie.

De Keuzegids Hoger Onderwijs is een consumentengids voor aanstaande studenten. De gids, samengesteld door het Hoger Onderwijs Persbureau verschijnt binnenkort voor de vierde maal. Honderden studies worden in de gids besproken. De gids wil helpen bij het maken van bewuste keuzes. Want de ene studie is de andere niet: de inhoud van de studie kan per stad verschillen, de geboden kwaliteit hoeft niet overal dezelfde te zijn bibliotheken zijn niet overal even goed voorzien - en zo zijn er vele vergelijkingen te maken.

Universiteiten en hogescholen laten voor miljoenen guldens drukwerk produceren om een imago uit te dragen. De ene wil `ondernemend' zijn, de andere `warm en betrokken', een derde `koerst op kwaliteit'. Aanstaande studenten zijn gevoelig voor reputaties zo blijkt uit onderzoek dat onlangs werd gepresenteerd op de Studie Beurs in Utrecht. Veel jongeren kiezen op grond van indrukken over `sfeer' `traditie' en `kans op een goed salaris'.

De Keuzegids houdt zich niet met imago bezig. De gids kijkt naar de harde feiten, naar de inhoud en kwaliteit van studies. Oordelen van studenten en deskundigen over kwaliteit zijn daarbij tot rapportcijfers verwerkt. Deze rapportcijfers zijn niet bedoeld als simpele ranglijstjes met `de beste' en `de slechtste' studies. De cijfers brengen kwaliteitsverschillen aan het licht. Voor aanstaande studenten is het zaak achter die cijfers te kijken. Ze bieden aanknopingspunten om de brochures van universiteiten en hogescholen zorgvuldig te bekijken en kritische vragen te stellen op voorlichtingsdagen.

De eindcijfers voor beoordeelde studies liggen in veel gevallen dichtbij elkaar: de beste krijgt bijvoorbeeld een 7,28 terwijl de slechtste een 6,41 krijgt.

Maar op onderdelen kunnen er grote verschillen zijn: een boeiend studieprogramma, met helaas nog wat veel hoorcolleges; veel te weinig computers die ook nog verouderd zijn; goede stagebegeleiding - dat kan binnen een studie naast elkaar bestaan.

De kwaliteitsvergelijkingen in de Keuzegids zijn gebaseerd op de volgende bronnen:

Oordeel studenten

Een onderzoeksbureau Research voor Beleid, vraagt jaarlijks 12.000 studenten hun studies te beoordelen. Wat vinden zij van de inhoud van het studieprogramma (moeilijk, makkelijk, boeiend, saai)? Hoe oordelen zij over de samenhang tussen de verschillende vakken? Is er voldoende aandacht voor het ontwikkelen van praktische vaardigheden, voor zelfstandig werken, voor zelfstandig denken? Is de studie goed georganiseerd (het programma, de tentamens)? Hoe is het gesteld met de studiebegeleiding, met de bibliotheek, de studiezalen, computers? Voor al deze onderdelen, en vele meer, konden studenten rapportcijfers geven.

Oordeel deskundigen

In de Keuzegids staat het oordeel van studenten naast dat van deskundigen. In de afgelopen twee jaar zijn dertig rapporten verschenen van zogenoemde visitatiecommissies die de studies hebben beoordeeld. De redactie van de Keuzegids heeft de belangrijkste conclusies van deze commissies samengevat en verwerkt in lijsten met plussen en minnen.

Tempo

Op basis van de beoordelingen van studenten en deskundigen valt een eigen oordeel te vormen over de kwaliteit van studies. Daarnaast kan de aanstaande student bij zijn keuze rekening houden met de verwachte kansen op de arbeidsmarkt. Zo ook is het zogenoemde rendement van studies een belangrijk gegeven, wat wil zeggen: hoeveel procent van de studenten haalt zijn diploma na hoeveel jaar? Studenten leven tegenwoordig onder hogere tijdsdruk dan hun voorgangers en moeten, gemiddeld genomen, meer geld lenen om hun studie te betalen.

Dat pleit voor opleidingen die goede kansen bieden om binnen redelijke termijn het begeerde diploma te halen.

Hieronder volgt, ter illustratie, een beknopte bespreking van zes grote studierichtingen, samengevat uit de Keuzegids Hoger Onderwijs `98-'99 die op 29 oktober verschijnt.

UNIVERSITEITEN

Nederlands recht

Juridisch Nederland maakt zich al jaren zorgen over de negen rechtenfaculteiten in het land. De collegebanken zitten overvol, met te veel ongemotiveerde studenten. De status van veel opleidingen kalft af. De kansen op werk na een voltooide studie zijn minder rooskleurig dan ze ooit waren.

Niet bekend

Een landelijke commissie van deskundigen, die de rechtenstudies vorig jaar heeft beoordeeld, toont zich minder negatief dan de studenten. Er is lof voor de pogingen af te rekenen met het massa-onderwijs. Aan de meeste faculteiten luidt nu het parool: zelfwerkzaamheid, samenwerken praktijkgericht studeren. Wel waarschuwen de deskundigen dat deze vormen van `probleemgestuurd onderwijs' niet mogen doorschieten in `zoek het zelf maar uit'. De begeleiding van studenten schiet her en der nog wel tekort.

De rechtenfaculteit in Tilburg mag zichzelf uitroepen tot de betere van het land. In het Duitse weekblad Der Spiegel werd de Tilburgse rechtenfaculteit zelfs aangewezen als de beste van Europa in deze discipline. De juridische faculteit in Maastricht gooit in alle beoordelingen onverminderd hoge ogen, hoewel de organisatie van tentamens daar voor verbetering vatbaar is.

Wie de voorkeur geeft aan een rechtenstudie in de Randstad, mag serieus overwegen te kiezen voor de VU in Amsterdam.

Geneeskunde

Wie geneeskunde wil studeren aan een van de acht medische faculteiten in Nederland moet sinds jaar en dag loten. De kans op een studieplek is minder dan 50 procent. Maar eenmaal tot collegebank, ziekenhuisbed en behandeltafel doorgedrongen, oordelen studenten in het algemeen positief over hun studies. Tevreden zijn ze vooral over de goede voorzieningen (studiezalen, practicazalen computers, e.d.) en over het solide, landelijk vastgelegde studieprogramma. Maar kritiek is er ook, vooral op de eerste studiejaren die niet stimulerend genoeg zouden zijn: te veel feitjes stampen te weinig aandacht voor de praktische en sociale kanten van de geneeskunde.

Een `visitatiecommissie' van deskundigen heeft vorig jaar de kwaliteit van de opleiding beoordeeld. Groningen en Maastricht krijgen de beste beoordeling. Vooral Groningen springt eruit. Daar is de afgelopen jaren met succes het studieprogramma vernieuwd, met moderne onderwijsvormen (`probleemgestuurd onderwijs'), waarin de studenten ook eerder kennismaken met de praktijk. Maastricht scoort al vele jaren hoog zowel in de beoordeling van deskundigen als van studenten. Maar er is intussen ook een minpuntje genoteerd.

Door een te grote nadruk op zelfwerkzaamheid dreigde het eerste studiejaar te licht te worden. Inmiddels wordt in Maastricht weer meer aandacht besteed aan het wetenschappelijk gehalte van de studie.

Drie van de acht medische faculteiten mogen naar het oordeel van de deskundigen worden gerekend tot de zwakkere: Rotterdam, Leiden en Utrecht. De noodzakelijke vernieuwing van het onderwijs is er laat en langzaam op gang gekomen. De (positieve) resultaten daarvan moeten nog worden afgewacht.

Chemie

Scheikunde aan een technische universiteit leidt op tot ingenieur terwijl chemici die zijn afgestudeerd aan een algemene universiteit de titel doctorandus voeren. Wat is het verschil? De doctorandus heeft zich vooral bekwaamd in onderzoek. De ingenieur heeft zich ook beziggehouden met de toepassing van zijn werk, voor industriele productie bijvoorbeeld.

Wie overweegt te kiezen voor een studie scheikunde moet dus eerst de keuze maken tussen een technische en een algemene universiteit. Groningen vormt een uitzondering op deze regel. Daar kunnen studenten na twee jaar nog overschakelen van de scheikundige naar de technologische variant - en omgekeerd.

Nederland telt tien universitaire chemie-opleidingen. De studie aan de technische universiteiten is gemiddeld genomen, iets zwaarder dan de algemene universitaire chemie-studie. TU'ers vinden na hun afstuderen iets sneller een baan dan hun doctorandus-collega's. Maar in beide gevallen moeten (aanstaande) studenten rekening houden met een pittige studie.

Het chemisch onderzoek in Nederland is van zeer hoge kwaliteit, zo oordeelde twee jaar geleden een commissie van internationale deskundigen. Nijmegen kreeg de beste beoordelingen (een `negen').

Delft eindigde als laatste, maar deed het (met een `zeven') internationaal vergeleken ook heel behoorlijk.

Goed onderzoek is geen garantie voor goed onderwijs. Een Nederlandse commissie van deskundigen vond vier jaar geleden dat de meeste studies veel te schools waren opgezet. Mede als gevolg van die kritiek is er de afgelopen jaren overal flink gesleuteld aan de studieprogramma's. Utrecht Nijmegen en Amsterdam (UvA) hebben nu compleet nieuwe programma's. Maar ook de andere faculteiten vervangen hoorcolleges door zelfstudie en projecten.

Scheikunde-studenten oordelen in grote lijnen positief over hun studie. Twente scoort op alle onderdelen goed, wat per saldo het hoogste gemiddelde cijfer oplevert. Wageningen, dat twee jaar geleden nog de ranglijst aanvoerde, is nu enkele plaatsen gezakt door problemen met studie- en tentamenroosters. Overigens zijn er weinig echt grote kwaliteitsverschillen tussen de faculteiten, zo hebben ook deskundigen vastgesteld.

HOGESCHOLEN

Leraar basisonderwijs

Het gaat goed met de opleidingen tot leraar basisonderwijs, kortom Pabo's. De meeste opleidingen hebben de afgelopen jaren de bezem gehaald door hun studieprogramma - en soms ook door hun docententeam. De stoffigheid is eraf. Studenten zijn over het algemeen tevreden over de opleiding, hoewel die door velen toch wel wat aan de lichte kant wordt bevonden.

Bijna veertig hogescholen bieden een Pabo-opleiding, samen goed voor een kleine zesduizend studenten. Niet alle Pabo's zijn even sterk. Zoals bij meer studies zitten veel betere opleidingen buiten de Randstad: relatief kleinschalig en goed georganiseerd. In het noorden en oosten van het land zijn de betere Pabo's te vinden in Emmen (dependances in Assen en Meppel) in Deventer, Doetinchem, Ede, Hengelo en Zwolle (KPZ).

In het zuiden behoren Helmond, Eindhoven, Maastricht en Roermond tot de toppers. In de Randstad krijgen de twee Utrechtse Pabo's (Marnix, Domstad) en de Pabo's in Gouda en Haarlem de betere beoordeling. Wie overweegt zich in te schrijven voor de Pabo's in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag heeft aanleiding de wervende voorlichters over diverse studieonderdelen een reeks kritische vragen te stellen.

Communicatie

Er wordt wel beweerd dat de wereld op dit moment een `communicatie-revolutie' doormaakt. In het hoger beroepsonderwijs heeft zich dat vertaald in een stormachtige ontwikkeling van de studierichting Communicatie. Begin jaren negentig zijn verschillende hogescholen begonnen met allerlei communicatiestudies, die opleiden voor beroepen als persvoorlichter `direct marketeer' en communicatie-adviseur. Al snel ontstond een bonte verzameling van studies en afstudeervarianten. De minister van Onderwijs heeft geprobeerd deze wildgroei te beperken door slechts acht voltijds opleidingen officieel te erkennen. Deze bieden sinds september dit jaar een onderling vergelijkbaar programma aan.

De oudste opleiding staat in Eindhoven. Deze komt, net als die in Rotterdam en Groningen, voort uit het HEAO. In Utrecht is de afstudeervariant voorlichting van de School voor de Journalistiek samengegaan met de oude HEAO-communicatie. In Zwolle is voorlichting een zelfstandige opleiding geworden. In Diemen en Leeuwarden zijn drie studies gefuseerd.

Iedere opleiding legt eigen accenten. Bij de vroegere HEAO-opleidingen speelt economie nog steeds een grote rol. In Groningen, Utrecht en Eindhoven wordt een brede opleiding geboden, waarmee de student alle kanten op kan. Zwolle, Eindhoven en Diemen doen vanouds veel met tekstschrijven.

Rotterdam, Eindhoven en Leeuwarden bieden een creatieve variant.

Dit jaar zijn studenten geenqueteerd bij zes communicatie-studies. (In Diemen en Leeuwarden zijn onlangs sterk gewijzigde opleidingen begonnen, zodat oordelen over het oude programma minder ter zake doen.) Studenten in Einhoven (Fontys) zijn het meest positief over hun opleiding. Het programma steekt inhoudelijk goed in elkaar, met een goede aansluiting op de praktijk. De opleiding in Utrecht (HvU) herbergt de minst tevreden studenten: het aandeel van statische hoorcolleges is er hoog (70 procent), de faciliteiten (lokalen computers) zijn er matig, evenals de gemiddelde kwaliteit van docenten. De opleiding in Rotterdam (Ichthus) krijgt, vergeleken met een enquete van twee jaar geleden, een beduidend minder gunstige beoordeling: van bovenaan de ranglijst naar bijna onderaan.

Sociaal pedagogische hulpverlening

SPH'ers, zo heten ze: HBO'ers met een opleiding sociaal-pedagogische hulpverlening. Ze zijn breed inzetbaar: in de jeugdzorg, ouderenzorg, gehandicaptenzorg, in asielzoekerscentra gevangenissen, enz. SPH'ers doen het redelijk goed op de arbeidsmarkt hoewel een groot deel niet meteen op HBO-niveau aan de slag kan. Pas afgestudeerden worden in het begin veelal op losse contracten aangenomen; vaste aanstellingen volgen later. De overgrote meerderheid van de SPH'ers is vrouw. Op de arbeidsmarkt is grote vraag naar allochtone SPH'ers. De Hogeschool Rotterdam & Omstreken werft speciaal onder allochtone jongeren. In Nijmegen is voor hen een speciaal project opgezet, met gegarandeerd een baan.

De SPH-studie is te volgen aan 19 hogescholen. Hoewel alle opleidingen zeggen het gehele werkterrein te beslaan, zijn er toch duidelijke accentverschillen.

Leeuwarden, Den Haag (Ichthus), Nijmegen en Utrecht besteden veel aandacht aan `muzisch-agogische vakken'. Ichthus in Rotterdam geeft bijzondere aandacht aan `laagdrempelige hulpverlening'. Aan de hogescholen in Den Haag, Maastricht en Leiden neemt de jeugdhulpverlening een prominente plek in.

Een commissie van deskundigen en geenqueteerde studenten zijn het redelijk eens over de kwaliteit van de SPH-opleidingen. Windesheim in Zwolle komt als sterkste uit de bus, gevolgd door Driebergen, Eindhoven, Maastricht en Rotterdam (HR&O). Duidelijk minder gunstig beoordeeld worden de opleidingen in Groningen, Leiden en Nijmegen. Er wordt daar gewerkt aan verbetering van de studieprogramma's. De resultaten daarvan moeten worden afgewacht.