HERZIEN

Toen de gebouwen van de architect Ben van Berkel aan de Nieuwezijds Kolk in Amsterdam klaar waren, kwamen vrijwel alle critici woorden tekort om ze te loven. Van Berkels omvangrijke complex, dat naast een hotel kantoren, woningen ook het `shoppingcenter de Kolk' omvat, werd gezien als een intelligente, gevoelige en subtiele invulling in de oude stad zo kunnen de recensies worden samengevat. Alleen Max van Rooy had in deze krant kritiek op het ontwerp van de architect die in hetzelfde jaar beroemd zou worden met de Erasmusbrug in Rotterdam. “In de wilde, morsige collage van materialen valt geen enkele orde te ontdekken', schreef hij op 23 augustus 1996. “Losgescheurde baksteenstroken zijn op kale betonplaten geplakt, ramen puilen uit en sommige verdiepingen lijken dichtgetimmerd met sloophout.'

Twee jaar later moet worden vastgesteld dat het nog veel erger is dan Van Rooy schreef. Vooral op de Nieuwendijk en in de stegen naar de Nieuwezijds Kolk ziet het complex er armoedig uit. Talloze tegels zijn van de gevels gevallen en versterken zo onbedoeld de ongelukken-esthetiek van Van Berkels architectuur. Ook binnen maakt het gebouw een treurige indruk. Een groot deel staat leeg: hol en verlaten grijnzen de ruimten de bezoekers toe. Als de belangrijkste huurder van het winkelcentrum, een tijdelijke vestiging van de HEMA, is vertrokken, sluiten de eigenaren ABN Amro en Bouwfonds, ook de rest van het complex om het grondig te veranderen.

Dat het winkelcentrum nooit goed heeft gelopen, is geen wonder. Een deel van de ruimtes bevindt zich in een doodlopende gang en iedereen weet dat dit voor een winkel funest is. Wie geen gebruik kan maken van de roltrap, moet naar boven met een lift waarvan de toegang zich bevindt in een donkere spelonk.

Van Berkel wijst elke verantwoordelijkheid hiervoor van de hand. Voor de `technische tekortkomingen' is hij niet verantwoordelijk, omdat hij niet de `technische supervisie' over het project had gevoerd, zo liet hij in een persbericht weten. Ook de doodlopende gang was niet aan zijn ontwerp te wijten, schreef hij: het was juist de opdrachtgever die besloot om de passage in het oorspronkelijke plan af te sluiten. Bovendien moest hij bij de inrichting van het centrum samenwerken met andere ontwerpers, wat `ten koste ging van de eenheid van het project'.

Van Berkels verweer laat weer eens zien hoe beperkt de macht van een architect is - hij is slechts een van de vele betrokkenen bij de realisering van een project en krijgt vaak niet zijn zin - wat lang niet altijd een nadeel is.

Bovendien was de opdracht voor het complex bij de Nieuwezijds Kolk buitengewoon moeilijk. Op drie verschillende, maar naburige plekken moest Van Berkel niet alleen het geschonden aanzicht van de stad herstellen maar ook zorgen voor een architectuur die de door gespuis gefrequenteerde Nieuwendijk zou opwaarderen.

Maar ook als Van Berkel wel op alle punten zijn zin had gekregen, zouden zijn gebouwen de armoede van de Nieuwendijk alleen maar hebben versterkt. Zelfs in vlekkeloze staat zouden ze gedrochten zijn geweest. Het ontwerp van Van Berkel lijdt onder de fatale vergissing dat een gebouw vol schots en scheve vormen op zijn plaats is tussen de vele kleine oude Amsterdamse panden met al hun verschillende gevels. Chaos past bij chaos, moet Van Berkel hebben gedacht, maar hij heeft over het hoofd heeft gezien dat het wanordelijke straatbeeld van Amsterdam bestaat uit duizenden kleine gebouwen, die ieder op zich juist heel ordelijk proberen te zijn. Het oude Amsterdam is een ongeorganiseerde chaos van ordelijke gebouwen, terwijl Van Berkels nieuwe Amsterdam een door hem ontworpen chaos van onordelijke gebouwen is. Dit maakt zijn ontwerp geforceerd en over the top. Van Berkels dwangmatige drang tot scheefheid heeft hier zulke absurde proporties aangenomen dat zelfs junkies het winkelcentrum alleen in uiterste nood betreden.