EZ beperkt voordeel vrije stroommarkt; Heffing helpt producenten

Het prijsvoordeel dat de stroomverbruiker straks krijgt door liberalisering van de elektriciteitsmarkt wordt deels afgeroomd met een nieuwe heffing. Met de opbrengst daarvan worden de niet-rendabele investeringen van de elektriciteitsproducenten betaald.

Dit bleek gisteren bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Economische Zaken in de Tweede Kamer. Minister Jorritsma maakte daarbij bekend een overeenkomst te hebben gesloten met de vier stroomproducenten over het geleidelijk vrijmaken van de elektriciteitsmarkt. Daarmee wordt 1 januari aanstaande begonnen. In het jaar 2007 moet de markt volledig zijn onderworpen aan vrije concurrentie.

De verwachte concurrentieslag tussen binnenlandse en buitenlandse elektriciteitsmaatschappijen zal waarschijnlijk leiden tot een scherpe daling van de prijzen die afnemers betalen voor verbruikte stroom.

De Nederlandse bedrijven vrezen echter kopje onder te gaan, doordat zij grote investeringen hebben gedaan in onder meer een kolenvergassingsproject en stadsverwarming. Die kostbare investeringen hebben maatschappelijk nut maar kunnen op een vrije markt niet worden terugverdiend.

Volgens de Europese regels mag de Nederlandse overheid deze onrendabele investeringen - in de sector aangeduid als `bakstenen' - vergoeden bij de overgang naar de vrije markt. Jorritsma wil dat betalen door de afnemers - naast huishoudens zijn dat ook ondernemingen - een heffing op het prijsvoordeel op te leggen. De minister denkt daarbij aan een heffing van een kwart of een derde van de prijsdaling. “Voor de afnemer betekent dit dat deze het grootste deel van het voordeel dan altijd behoudt', aldus Jorritsma. Hoeveel de heffing moet opbrengen is nog niet bekend.

Bij de begrotingsbehandeling werd duidelijk dat het ministerie van Economische Zaken harde onderhandelingen heeft moeten voeren. Bij de poging om de vier elektriciteitsproducenten samen te voegen tot een Grootschalig Productie Bedrijf was afgesproken dat de sector 2,1 miljard gulden zou krijgen voor de gemaakte onkosten. Nadat de fusie was gestrand, moest opnieuw worden onderhandeld en eisten de bedrijven volgens Jorritsma een bedrag van “ver boven de 10 miljard gulden'.