Bengaalse honger was voor Sen traumatische ervaring

In 1943, toen Amartya Sen negen jaar oud was, werd Bengalen getroffen door de zwaarste hongersnood uit de geschiedenis. Het was een traumatische ervaring voor de jonge Amartia, bekende hij later. Zijn loopbaan als welzijns- econoom en filosoof werd er sterk door beinvloed.

De Indiase `armoede-econoom' Amartia Sen (64), de eerste Aziaat aan wie de Nobelprijs voor economie is toegekend, kreeg internationale erkenning wegens zijn revolutionaire denken over vraagstukken in de minst bedeelde gebieden van de wereld. Geboren in een van de armste regio's Bengalen (tegenwoordig opgesplitst in Bangladesh en de Indiase deelstaat West-Bengalen), was Sen vanaf zijn prille jeugd nauw betrokken bij het vraagstuk dat de delta van de Gangesrivier tot aan de jaren tachtig het meest bezig hield: de hongersnoden die de tientallen miljoenen bewoners regelmatig troffen.

In 1943, toen Sen negen jaar oud was, werd Bengalen getroffen door de zwaarste hongersnood uit de geschiedenis. Drie miljoen mensen kwamen daarbij om het leven. De voedselcrisis was een traumatische ervaring voor de jonge Amartia, bekende hij later. “De hongersnood in Bengalen in 1943 was een beproeving van een bijna ongelofelijke wreedheid', zei Sen in 1995 in een vraaggesprek met deze krant. De hongersnood, die zijn familie overigens niet trof, kwam “zo plotseling over ons dat ik haar toen absoluut niet kon begrijpen'. Het gerucht ging destijds in Bengalen dat de voedselaanvoer niet veel lager was dan normaal, alleen werd de bevolking niet bereikt.

Zijn loopbaan als welzijnseconoom en filosoof werd sterk beinvloed door die ervaring. “Ik kende niemand in mijn directe omgeving die was getroffen door de hongersnood', zei hij. Het zette hem aan het denken en bracht hem tot de theorie waarmee hij jaren later de gangbare meningen over honger van tafel veegde. Sen, die onderzoek verrichtte in Bangladesh, India en de landen rondom de Sahara, ontdekte dat hongersnoden niet altijd worden veroorzaakt door een gebrek aan voedsel in de betrokken regio.

Volgens hem ontstaan sommige hongersnoden zelfs in tijdens van relatieve overvloed, maar wordt de bevolking getroffen doordat zij het voedsel niet kan betalen, of dat het voedsel hen niet bereikt door distributieproblemen, zoals tijdens de grote hongersnoden in Afrika in de jaren tachtig en negentig. Een van zijn belangrijkste stellingen luidt dat in een democratie geen hongersnood kan voorkomen omdat een vrij volk haar politieke leiders zal dwingen tot maatregelen. Tijdens de grote hongersnood in China, tussen 1959 en 1961, waarin 30 miljoen mensen omkwamen, had de Chinese regering te weinig druk van buitenaf gehad om de ontwikkeling van de bevolking door te zetten, omdat er geen vrije pers was, geen oppositiepartijen en geen verkiezingen, aldus Sen, die ondanks zijn werk in het rijke Westen de armoede uit zijn geboorteland nooit is vergeten. “Het feit dat economie ook te maken heeft met de armen de achtergestelden, de underdogs in de maatschappij, heeft mij altijd na aan het hart gelegen', zei Sen gisteren bij de Verenigde Naties in New York.

In India staat Sen bekend als een criticus van het politiek-economische beleid. Hoewel het land met bijna een miljard inwoners hetzelfde potentieel heeft als buurland China, gaat de ontwikkeling van India bijzonder traag. Ondanks de uitgebreide overheidsbemoeienis sinds de onafhankelijkheid in 1947 kan nog steeds de helft van de Indiers niet lezen of schrijven en zijn tientallen miljoenen Indiers ondervoed. De Indiase overheid heeft zich, aldus Sen, te veel ingelaten met regelgeving en bureaucratie, en veel te weinig met gezondheidszorg en de ontwikkeling en opleiding van de bevolking. “De sterke economische basis die China door zijn onderwijssysteem heeft ontbeert India', zei hij in een vergelijkende studie over de twee landen.

De zeer bescheiden Indier reageerde gisteren zeer verheugd op de erkenning die hij dankzij de Nobelprijs heeft gekregen. Typerend voor zijn karakter zei hij dat de Nobelprijs “erkenning geeft aan de vraagstukken van armoede en gelijkheid en aan de belangen van mensen die aan de onderkant van de economie leven'. Volgens Sen zijn het precies de onderwerpen en de bevolkingsgroepen die de topeconomen in de wereld te lang hebben genegeerd.