Armenzorg op z'n Amsterdams

Egelantiersstraat 147. In gerafelde jassen en tweedehands kleding zitten zestig mensen aan lange tafels, wachtend op een gratis maaltijd. “Stilte!' roept een zuster in witte sari met blauwe band. “We gaan eerst het Onze Vader en tien weesgegroetjes bidden.'

Een man steekt zijn vinger op. “Ik koud. U huis weten?' Antwoord van de zuster: “Als u een huis wil, moet u in God geloven.' Spiedend kijkt ze in het rond en roept met schrille stem: “Allemaal de petjes af: we gaan bidden.' Een man met paarse linten in zijn haar duikt als een schuw vogeltje ineen.

Traag gaan de weesgegroetjes voorbij, in het pand van de Missionaries of Charity, beter bekend als de zusters van Moeder Teresa, een congregatie van de katholieke kerk. Na het gebed wordt soep met een stuk rookworst geserveerd. Het vlees verdwijnt in een hap, het vocht wordt opgezogen en dan heffen de gasten hun lege borden hunkerend omhoog.

's Avonds verschijnt de soepbus van het Leger des Heils. De bus parkeert, naast het Centraal Station, in een `pis-viaduct' met overweldigende walmen. In de rij ontstaat agressie. “Klote-Pool, niet voorschieten: oprotten!'

Als de heilsoldates vertrekken, dient de volgende weldoener zich aan: Hare Krishna met rijst. Daarna moet het `uitschot' zich uit de voeten maken: voor hen is het Centraal Station tot verboden gebied verklaard.

Waarom zitten religieuze organisaties in de voedselbedeling, terwijl er miljoenen guldens omgaan in de hoofdstedelijke hulpverleningsindustrie? En waarom tref je in Amsterdam in alle hoeken en gaten zo'n tweehonderd daklozen onder klamme dekens of stukken plastiek, daklozen die sinds kort een boete van zeventig gulden riskeren? Het heet dat er een tekort aan nachtopvang is. Dat klopt. Maar is dat de enige reden?

Navraag bij dak- en thuislozen en verslaafden schept een ander beeld. Steeds meer van hen keren zich af van de opvang- en verslaafdeninstellingen. Zelfbewuste daklozen haten die instellingen vol bevoogdende hulpverleners en met een woud aan regeltjes, afspraken en geboden.

Slapen bij het, gesubsidieerde, Leger des Heils en HVO komt pas ter sprake bij tien graden onder nul. Dan moet het maar even: op een slaapzaal waar onder de dekens heroine wordt gerookt. Waar psychiatrisch patienten met hun hoofd tegen de muur bonken. Waar bij tijd en wijlen de bloedspatten in het rond vliegen. Of neem de pensions tegenwoordig passantenverblijven genoemd: een naargeestig eindstation. De dagactiviteitencentra dan? Daar mag je kleien, timmeren en schilderen: bezigheidstherapie.

Terwijl verslaafden door de stad dolen, zitten de hulpverleners achter hun bureaus dossiertjes te maken. Als een verslaafde het lef heeft om binnen te stappen, wordt hij glimlachend op een wachtlijst geplaatst. In Rotterdam is beleid ontwikkeld om daklozen en verslaafden aan een woning en werk te helpen. Gek genoeg is de hoofdstad daar nog niet aan toe.

Het millennium nadert de Amsterdamse daklozenopvang wordt een kopie van de armenzorg van meer dan een eeuw terug. Toen was tachtig procent van de armenzorg kerkelijk. De hulp werd verbonden aan kerkbezoek. De Armenwet (1854) bepaalde dat het kerkelijk en particulier initiatief verantwoordelijk was voor de armenzorg. Die opvatting kwam onder vuur te liggen. De `Sociale Quaestie' werd het gespreksonderwerp. Socialisten en jong liberalen betoogden dat armenzorg bovenal een taak van de overheid is.

Zie wat een eeuw later gebeurt: de kerken komen weer in zicht. De ministerraad drukt staatssecretaris Cohen (Justitie) op het hart om vooral de kerken te betrekken bij het probleem van de asielzoekers. En in de hoofdstad is de bedeling van voedsel, kleding en dekens in handen van de `zusters' en van het Leger des Heils; de armen overnachten tussen de bijbels of in een portiek.

Of gloort er hoop? Amsterdam heeft tien miljoen gulden extra uitgetrokken voor hulp aan, al dan niet verslaafde, dak- en thuislozen. Deze avond, om half elf, wordt in de Commissie Zorg van de gemeenteraad de bestemming van de eerste 2,5 miljoen besproken. Even dreigde het een hamerstuk te worden, maar op de Stopera is onrust ontstaan. Guusje ter Horst, wethouder Zorg, heeft tot nu toe haar handen vol gehad aan het in kaart brengen van de versplinterde zorgindustrie. Aan een visie op de relatie tussen openbare orde en zorg voor de verdoolden is ze nog niet toegekomen. Burgemeester Patijn is niet bepaald een lichtend voorbeeld: hij valt terug op oude tijden met de `bestrijding van de landloperij', tegenwoordig: boete- en verjaagbeleid. Toch liggen ze op tafel: de voorstellen voor hulp aan dak- en thuislozen. Voorstellen die in het vertrouwde model passen: meer passantenverblijven die `hotelachtige voorzieningen' worden genoemd nieuwe bezigheidsprojecten, maar liefst zes ton voor `postadressen' en geld voor heilsoldates die aan `arbeidstoeleiding' mogen gaan doen - alsof het geen vak is.

Nog nooit heeft de gemeenteraad zich de vraag gesteld of zijn instellingen voor daklozen en verslaafden wel aansluiten op de `doelgroep' - hoe het komt dat daklozen en verslaafden op de vlucht slaan voor hulpverleners.

Er zijn geen hoogdravende analyses voor nodig om te zien waar het is misgegaan. Ambtenaren en politici hebben eenvoudig verzuimd om met daklozen in gesprek te gaan. De deskundigen liggen onder een deken in de regen.