Amsterdamse kinderen leren weerbaarheid

Basisschoolleerlingen in Amsterdam krijgen weerbaarheidstrainingen. “Als een vreemde je vraagt in de auto te stappen, heb je dan een ja- of een nee-gevoel?'

Nooit met vreemde mannen meegaan! Generaties kinderen hebben die waarschuwing ingeprent gekregen. Vandaag de dag leren kinderen zichzelf in penibele situaties drie vragen te stellen: Heb ik een ja- of een nee-gevoel? Weten mijn ouders waar ik ben? En: Kan ik altijd hulp inroepen? Bij een `nee' is het dwingende advies: Niet meegaan.

“Gaan we weer mediteren? Yes!' De jongen uit groep 7 van de Amsterdamse Boekmanschool maakt er een tsjakka-gebaar bij. Vandaag heeft zijn klas de laatste les van de training `Weerbaarheid en omgaan met agressie'.

“Stel', zo vraagt de trainster na de korte meditatiesessie waarin de kinderen tot zichzelf konden komen, “stel twee vriendjes van je gaan elke middag bij een oudere man computerspelletjes spelen. Ze vragen of je meegaat. Wat doe je?' Het gevoel zegt ja. “Als het toch vriendjes zijn en hun doet ie ook niks', zegt de een. “Of als het nou een oom van een van die jongens is', oppert de ander. Maar na enig aandringen van de trainster rolt de trits vragen er toch nog uit.

Waarom heeft de directeur van de Boekmanschool in zijn toch al overladen lesprogramma ruimte vrijgemaakt voor deze weerbaarheidscursus? De uitleg van F. Bitter volstaat met een knik van zijn hoofd. Op de muur in de hal is met grote letters artikel 1 van de Grondwet neergeschreven. Dat zegt genoeg nietwaar?

Binnenkort krijgen alle leerlingen uit de groepen 7 en 8 in de oostelijke binnenstad van Amsterdam de weerbaarheidstraining. Meisjes moeten vooral een zelfverzekerde houding ontwikkelen. Jongens moeten leren groepsdruk te weerstaan. Hun wordt, in de woorden van het trainingsbureau Kenau Hasselaar, als het ware nieuw mannelijk gedrag aangeleerd: een gepeste jongen helpen of bij een vechtpartij wegrennen om hulp te halen kan ook heel heldhaftig zijn.

De weerbaarheidscursus is een onderdeel van het project WEG-GEPEST. Daarin proberen vertegenwoordigers van scholen, buurtcentrum, jongerencentrum sporthal, speeltuinen en politie een veilig vangnet voor kinderen te spannen. Dat gaat verder dan alleen het tegengaan van pesten, zegt directeur Y. van Geest van Kenau Hasselaar. “Stel dat uit verschillende groepen blijkt dat zich ergens een potloodventer ophoudt, dan kunnen we nu eenvoudig het wijkbureau van politie inschakelen. Alle instanties zitten bij elkaar in een werkgroep.'

Aan de rand van de gymzaal knikt Van Geest instemmend. “We leren kinderen volwassenen in te schakelen die ze kunnen vertrouwen. Wat doe je bijvoorbeeld als iemand je bij school opwacht met de mededeling dat hij je moet ophalen omdat je vader in het ziekenhuis ligt? Bij wie zou je dat dan melden?' Volgens Van Geest is het niet de bedoeling dat kinderen angsten krijgen aangepraat. “We gebruiken alleen voorbeelden die de kinderen zelf inbrengen.'

Op een vel papier tekent Wout een bosschage van het Oosterpark. Zijn klasgenoot Mayen tekent een tunneltje bij het Amstelhotel. De opdracht was: teken een plek waar jij je onveilig voelt. En in de bosjes en het tunneltje, daar komen ze de junks tegen. In de weerbaarheidstraining hebben ze geleerd hoe ze moeten handelen als die op hen afkomen. “Altijd in de ogen kijken' reproduceert Wout de lesstof. “Rustig praten en als ze even niet opletten: wegrennen.'

Het gaat er vooral om dat kinderen hun gevoelens serieus nemen, zegt Van Geest. “Als je je rottig voelt, ben je nu eenmaal minder alert. Op zo'n dag kun je de confrontatie maar beter niet opzoeken. Moet je elke dag langs een hangplek van een groepje intimiderende jongens, loop dan nu maar een straatje om.' Bellen in een snackbar naar je ouders is volgens haar ook een goede oplossing als je op zo'n moment niet tegen de situatie bent opgewassen.

En dan maar hopen dat aan de andere kant van de lijn een begripvolle ouder opneemt. Daarom worden ouders zo goed mogelijk geinformeerd. Op ouderavonden wordt dan uitgelegd dat hun kinderen leren hun eigen gevoelens serieus te nemen. Dat vader en moeder dus niet raar opkijken als zoonlief op een familieverjaardag tante Toos opeens geen kus meer wil geven. “Dat moeten ze dan maar even zo laten.'