Leerlingen blijken vaak nog niet rijp voor het studiehuis

Leerlingen in de hoogste klassen Havo en VWO blijken vaak nog niet rijp voor het studiehuis. Zij zijn weliswaar zelfstandig maar nog niet in staat zichzelf of hun prestaties te beoordelen. Begeleiding van leraren draagt daar weinig toe bij.

Dat blijkt uit het praktijkonderzoek Vakken vullen in het studiehuis, twintig experimenten naar de werking van het studiehuis in Midden-Nederland, dat vanmiddag in Utrecht is gepresenteerd. Dit schooljaar is een kwart van de middelbare scholen begonnen met het studiehuis in de hoogste klassen van Havo en VWO. In het studiehuis wordt de vrije vakkenpakketkeuze afgeschaft en moeten leerlingen veel zelfstandiger werken zodat ze beter voorbereid beginnen aan een vervolgstudie op hogeschool of universiteit.

Het Instituut voor Lerarenopleiding Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS) verbonden aan de Universiteit Utrecht, evalueerde de experimenten van het afgelopen schooljaar met onderwijsvernieuwing in de hoogste klassen Havo en VWO op 17 middelbare scholen Utrecht en omgeving. Het boek is een bundeling van de studiehuiservaringen van twintig docenten in verschillende vakken.

De experimenten richtten zich voornamelijk op zelfstandigheid van leerlingen. Die blijkt groot zijn, maar niet toereikend omdat de leerlingen zelfreflectie missen. Volgens vakdidacticus R. van de Kraats, een van de redacteuren van het boek, moet het studiehuisprincipe geleidelijk worden doorgevoerd. “Scholen moeten stap voor stap de eisen ten opzichte van zelfstandigheid en taakbereidheid verhogen. Niet patsboem in een keer.' De vakdidacticus dringt in dit verband bij scholen aan op een degelijke voorbereiding van leerlingen op het studiehuis.

Ander probleem is dat docenten nauwelijks inspelen op de verschillen in niveau van leerlingen. De meeste onderzochte scholen zijn tijdens hun studiehuis-experiment uitgegaan van het bestaande rooster en de oude klassensamenstelling. “Het is lastig differentieren binnen de bestaande structuur', zegt Van de Kraats.

“De onderwijspraktijk dwingt de onderzochte scholen uit te gaan van de grootste gemene deler.'

Ook houden leraren nog weinig rekening met verschil in leerstijlen - dat wil zeggen op welke manieren leerlingen de lesstof opnemen. Dat die niveauverschillen uberhaupt bestaan, wordt niet door de betrokken docenten genoemd.

Dit schooljaar voerden 42 van de 114 middelbare scholen met Havo en VWO het nieuwe lesprogramma in. Aanvankelijk dacht het ministerie van Onderwijs dat niet een kwart maar een derde van de scholen met de vernieuwing zou beginnen. Sommige scholen stelden echter de vernieuwing alsnog een jaar uit, omdat veel lesboeken niet op tijd beschikbaar bleken ondanks herhaalde beloften van uitgeverijen. Ook waren onvoldoende nascholingscursussen voorhanden en was er nog veel onzekerheid over nieuwe vakken als informatica, en management en organisatie.