De Rembrandteske negering van de tijdgeest; Overzichtstentoonstelling van Arent de Gelder in Dordrecht

Een groepje jongens zit te schrijven. We kunnen ze ongestoord bespieden terwijl ze, de blik strak gericht op de letters die uit hun pen vloeien, in uiterste concentratie over hun schriften gebogen zitten.

Arent de Gelder moet hun gelaatsuitdrukkingen zorgvuldig hebben bestudeerd getuige zijn schilderij `Homerus dicteert zijn verzen'. De blinde dichter is op de voorgrond geplaatst. Hij leunt op een stok en zet zijn voordracht kracht bij met een dramatisch handgebaar. Maar de jongens die schuin achter hem zitten, hebben daar geen oog voor: ze moeten zich inspannen om zijn woorden goed op papier te krijgen. De voorste jongen heeft een verbeten uitdrukking op zijn gezicht en lijkt het inktpotje dat hij in zijn linkerhand klemt welhaast fijn te knijpen. Achter hem zit een jongen te schrijven met zijn hoofd in een hoek van 45 graden.

Het doek is volledig in bruine en roomkleurige kleuren geschilderd. Dat `warme' palet roept Rembrandt in herinnering, evenals het onderwerp en de ruwe manier waarop het geschilderd werd. Vreemd is dat niet. De Gelder moet in de jaren zestig van de Gouden eeuw immers in Amsterdam bij Rembrandt in de leer zijn geweest. Opmerkelijk is wel dat het Homerus-tafereel pas geschilderd werd in het eerste decennium van de achttiende eeuw. Rembrandt was toen al een jaar of veertig dood en de heersende artistieke mode stond haaks op zijn ruwe schildertrant. De meeste kunstenaars produceerden destijds gedetailleerde, welhaast priegelige schilderijtjes in koele, heldere kleuren. De schilder van de dicterende Homerus moet door zijn tijdgenoten als een levend anachronisme zijn beschouwd.

Kunsthistorici hebben altijd een sympathiserende toon aangeslagen als ze over Arent (ook wel: Aert) de Gelder schreven. Dat hij tot zijn laatste snik (hij overleed in 1727) wars van alle trends de beginselen van zijn leermeester trouw is gebleven, verleende hem een aureool van dappere loyaliteit.

`Rembrandts laatste leerling' luidt dan ook de ondertitel van de tentoonstelling in Dordrecht. In zijn lezing bij de opening veronderstelde prof. Ernst van de Wetering dat De Gelder in de trant van Rembrandt is blijven schilderen, `omdat hij het nu eenmaal niet kon laten.' In tegenstelling tot veel schilderende tijdgenoten was De Gelder namelijk een vermogend man die niet hoefde te leven van de verdiensten van zijn kunst. Vader De Gelder, voormalig huismeester van het Westindisch Huis te Dordrecht, had Arent een aanzienlijke erfenis nagelaten. Die financiele onafhankelijkheid moet het hem makkelijk hebben gemaakt de tijdgeest te negeren en in zijn Rembrandteske stijl te volharden.

Over stadgenoot (en mede Rembrandt-leerling) Nicolaes Maes werd geschreven dat die op een elegantere stijl was overgestapt, omdat `inzonderheid de jonge juffrouwen meer behagen namen in het wit dan in 't bruin.'

Het is bruin en grijs wat de klok slaat bij De Gelder. Zijn figuren dreigen soms zelfs kopje onder te gaan in een overdaad aan schemerige aardkleuren. Wanneer het schilderij `Vertumnus en Pomona' in de voorlaatste zaal zowaar een strook blauw op de achtergrond te zien geeft, voelt dat bijna als een opluchting. Ook in zijn gewoonte de (natte) verf te lijf te gaan met zijn vingers, een paletmes, stokjes of de achterkant van zijn penseel, toont De Gelder zich Rembrandtesker dan de leermeester zelve. Van de Wetering: “Hij heeft veel in de verf zitten krassen. De Gelder moet tijdens het schilderen soms meer hebben weggehaald dan hij toevoegde. Hij liet de verf het werk doen en durfde gebruik te maken van het toeval.'

Dat was overigens een werkwijze die risico's met zich meebracht. Op de tentoonstelling kan worden geconstateerd dat De Gelder de verf niet altijd de baas was. Tovert hij de ene keer met een scala aan verschillende tinten zomaar een kreukelig hemd tevoorschijn elders werkt de opeenhoping van bruine en grijze toetsen minder overtuigend en toont de schilder zich weinig vormvast. Niettemin is het een genoegen om je ogen te laten wennen aan de permanente schemering in deze schilderijen en de eindeloze kleurnuances op je in te laten werken. De catalogus stelt brutaal dat De Gelder een `aanmerkelijk interessanter colorist' is dan Rembrandt. Wie het kleurenspel en de mysterieuze, mistige atmosfeer in `Ecce Homo' (1671) ziet, is geneigd die uitspraak volledig te onderschrijven.

Van een verbluffende levendigheid is ook het zelfportret (als de Griekse schilder Zeuxis) uit 1685. Terwijl hij aan een vrouwenportret zit te werken, draait De Gelder zich naar de toeschouwer om. Zijn mond krult zich in een vrolijke grijns en we constateren het gelijk van de tijdgenoot die schreef: `hy zag scheel met beyde ogen.'