Babbelende beesten en bekkentrekkerijen

De musical Doctor Dolittle (Richard Fleischer, 1967) mag dan de reputatie hebben van een saaie superflop, die studio 20th Century-Fox aan de rand van de afgrond bracht, het was een meesterwerk (twee Oscars, negen nominaties) in vergelijking met de nieuwe niet-muzikale versie Dr. Dolittle met Eddie Murphy in de rol van Rex Harrison.

Is de casting van dierenhater Murphy als hippe ziekenhuisarts al merkwaardig, het op de kinderverhalen van Hugh Lofting gebaseerde scenario gaat eveneens een onverwachte hoek om. Murphy is geen heilige Franciscus, maar een hyperactieve Dolittle, wiens carriere op het spel komt te staan, wanneer zijn gave om de dieren te verstaan, een vergeten jeugdafwijking, plotseling weer actief wordt. Alle soorten en maten beesten vervoegen zich bij de dokter om eindelijk eens hun nood te kunnen klagen. Zo horen we komieken als Albert Brooks (tijger), Paul Reubens (wasbeer), Garry Shandling en Julie Kavner (duiven) en Ellen DeGeneres (hond) doen wat John Travolta deed op het dieptepunt van zijn carriere in Look Who's Talking: de ongehoorde gedachten vertolken van een dier of baby, in de hoop mensen daarmee aan het lachen te maken.

Regisseur Betty Thomas (we kennen haar nog als sgt. Lucy Bates uit de tv-serie Hill Street Blues) wordt sinds het succes van haar vorige films The Brady Bunch Movie en Private Parts door Hollywood beschouwd als een van de weinige `lucratieve' vrouwelijke filmmakers. Daarom mocht ze als verkeersagent de voornamelijk door de computer gegenereerde beelden van babbelende beesten koppelen aan de bekkentrekkerij van Murphy. Het Amerikaanse publiek kwam talrijk toestromen, maar het is desondanks geen film om erg trots op te zijn, zo dat al de bedoeling was.