WORLD DEVELOPMENT

De verklaringen over de oorzaken van de Aziatische crisis zijn gebaseerd op twee verschillende interpretaties van de economische werkelijkheid. De ene is gebaseerd op het idee dat de crisis de doodsstrijd is van het Aziatische staatskapitalisme. De ander gaat uit van de gedachte dat de crisis een gevolg is van deflatie die paniek veroorzaakt in een systeem dat op zichzelf gezond is, maar gebaat zou zijn bij meer en betere regulering.

De aanhangers van de doodsstrijdgedachte zijn onder andere Alan Greenspan, de topbankier van de US Federal Reserve; George Soros, de internationale beleggingsdeskundige; en Stanley Fischer, een topman van het Internationaal Monetair Fonds. Deze deskundigen menen dat de Aziatische crisis te wijten is aan de fouten in het systeem van de betrokken landen, en zien voortgaande deregulering als panacee. Robert Wade van Brown University in Providence, VS, beschrijft in World Development dat die interpretatie niet kan kloppen. Om te beginnen is de Aziatische schuldenlast een zaak van particuliere beleggers, in tegenstelling tot de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis in de jaren tachtig, die vooral voor rekening kwam van de staat in de betrokken landen. De auteur wijst er ook op dat deze visie wel heel plotseling uit de lucht is komen vallen. In december 1997, drie maanden voordat het mis ging in Zuid-Korea, overlaadde het IMF het land in het jaarverslag met loftuitingen, zonder een spoor van alarm over tekortkomingen van het Koreaanse systeem.

Het idee van paniek als oorzaak van de crisis heeft eveneens veel prominente aanhangers, zoals bijvoorbeeld Jeffrey Sachs, directeur van het Harvard Institute for International Development, en Joseph Stiglitz, hoofdeconoom bij de Wereldbank. Deze deskundigen menen dat de oplossing ligt in het verbeteren van de regulering. De auteur beschrijft in zijn artikel de geschiedenis van de crisis die volgens hem begint bij het Plazza-akkoord in 1985, waarbij de yen meer dollars waard werd. Hij legt verband tussen dit akkoord, de onroerendgoed-hausse in Japan, het hoge niveau van de Japanse beleggingen in Japan, het hoge niveau van de Japanse beleggingen in de Aziatische buurlanden, en de radicale financiele deregulering in die landen.

De situatie waarin de crisis kon gedijen bestond uit vier factoren. Het gebruik van hoge spaartegoeden voor financiering van het eigen bedrijfsleven, de koppeling van de munteenheden aan de dollar, waardoor het idee ontstond dat er niks mee mis kon gaan, liberalisering van de kapitaalmarkten in de beginjaren negentig, en de massale toevloed van veel buitenlands kapitaal. De omvang van de crisis is zichtbaar in de omvang en de snelheid van de kapitaalbewegingen: een netto instroom van 93 miljard dollar in 1996 in Indonesie, Thailand, Taiwan, Hongkong en Korea, was in 1997 veranderd in een netto uitstroom van 12 miljard. Bij elkaar is dat een verandering van 105 miljard dollar aan particuliere beleggingen in een jaar tijd, 11 procent van het bruto binnenlands product van de vijf landen voor de crisis.

De auteur trekt uiteindelijk de conclusie dat het vroegere zogenoemde militair-industriele complex heeft plaatsgemaakt voor een complex van instellingen en organisaties als Wall Street, het Amerikaanse en het Britse ministerie van Financien, het Internationaal Monetair Fonds en de City of London. Zijn betoog loopt uit op een pleidooi tot herziening van het Bretton-Woods-akkoord. Daar hoort ook een nieuw systeem bij van vaste wisselkoersen, zoals voorgesteld door Japanse financiele diplomaten. De VS zijn het daar niet mee eens, omdat het land dan de mogelijkheid zou verliezen om voldoende krediet te verwerven voor binnenlandse expansie en militaire inspanning buitenslands, tegelijkertijd, zonder de belastingen te verhogen.

FAR EASTERN ECONOMIC REVIEW

Na een jaar recessie heeft de welvaartsdroom in Bangkok plaats gemaakt voor het armoedesyndroom waarbij 500.000 van de vier miljoen inwoners hun baan hebben verloren en nu afhankelijk zijn van liefdadigheidsinstellingen die bij lange na niet zijn opgewassen tegen de omvang en de intensiteit van de problemen, schrijft de Far Eastern Economic Review.

En dan gaat het alleen nog maar om de officiele cijfers. In werkelijkheid is de werkloosheid veel groter.

Ook de cijfers van misdaad, drugshandel en prostitutie stijgen. In 1997 nam de politie 30 miljoen amfetaminetabletten in beslag, en in de eerste helft van dit jaar al 27 miljoen. Een van de redenen waarom de misdaadcijfers in Bangkok stijgen is volgens het blad dat de elektriciteitsmaatschappij in een aantal wijken de straatlantaarns uit laat om kosten te besparen. Daarnaast groeit de politieke instabiliteit met de dag. Al met al wordt de kans steeds kleiner dat de buitenlandse investeerders op hun schreden terugkeren.

De vakbonden stellen vast dat de mensen die het land hebben opgebouwd als oud vuil worden behandeld. De bonden menen dat buitenlandse hulp zich niet mag beperken tot verbetering van het financiele systeem. De Wereldbank heeft 300 miljoen dollar beschikbaar gesteld voor het scheppen van nieuwe banen en voor mensen die een vakbondsopleiding willen volgen.

HISTORY OF ECONOMIC IDEAS

Het gedachtegoed van Joseph Alois Schumpeter wordt in de meeste Westerse landen gewoonlijk afgedaan als te speculatief, maar in Japan is het decennialang serieus genomen en in sommige gevallen ook toegepast in de praktijk van het economisch beleid. Jean-Pascal Bassino van de Paul Valery Universiteit van Montpellier beschrijft in de History of Economic Ideas hoe dat in zijn werk ging.

Nadat zijn werk tussen 1909 en 1925 in Japan was geintroduceerd, werd Schumpeter een vraagbaak voor jonge Japanse economen die in de jaren twintig en dertig verder studeerden in Duitsland. Ook bezocht Schumpeter het land vaak en langdurig voor het geven van colleges, wat toen tamelijk ongewoon was.

Schumpeter wordt in Japan vooral gewaardeerd omdat hij mathematische economie introduceerde in Japan. Na de oorlog taande zijn invloed, omdat de Japanners voortzetting van hun studie in de VS prefereerden boven de traditionele band met Duitsland.

De nalatenschap van Schumpeter was en is vaak terug te vinden in officiele beleidsstukken van overheid en bedrijfsleven. Dat geldt vooral voor Schumpeters idee dat de concurrentie die er in het kapitalisme echt toe doet niet bepaald wordt door de winstmarges, maar door het vermogen tot vernieuwing. Ook het in Japan gangbare idee dat de grootte van het bruto binnenlands product lang niet alles zegt over het niveau van de reele welvaart is afkomstig uit Schumpeters gedachtegoed.