Wetenschap moet onafhankelijk zijn

De ondernemende universiteit bedreigt de toekomst van de onafhankelijke wetenschap, meent Harry van Bommel.

Volgens bestuurders Sevenstern en Van Vught van de Universiteit Twente heeft de ondernemende universiteit belangrijke meerwaarde. `Succesvolle ondernemende universiteiten weten door hun marktgerichtheid hun academische onafhankelijkheid en prestige juist te vergroten', schrijven zij in NRC Handelsblad van 29 september jl. De praktijk laat zien dat daar veel op valt af te dingen.

Zoals eerder betoogd in deze krant door het wetenschappelijk bureau van de VVD ontstaat er door de marktgerichtheid van universiteiten een verschuiving van fundamenteel naar toegepast onderzoek. Een afname van het fundamentele, door wetenschappelijke nieuwsgierigheid gedreven onderzoek is op te vatten als een verschraling van het wetenschappelijk onderzoek. Bovendien vormt het, in tegenstelling tot wat de Twentse bestuurders beweren, een bedreiging voor de onafhankelijkheid van het onderzoek. Nogal wat opdrachtonderzoek heeft immers een legitimerend karakter. Daarbij staat het belang van de opdrachtgever en niet dat van de samenleving centraal. Opdrachtgevers willen de resultaten slechts benutten ter onderbouwing van hun eigen standpunten. Emeritus-hoogleraar culturele antropologie Kobben spreekt in dit verband van de `advocatisering van de wetenschap.' De zwakke onderhandelingspositie van wetenschappers en universiteiten is daar debet aan. Door de afnemende financiering van universiteiten door de overheid moeten zij wel opdrachten uitvoeren voor derden, en als je niet naar een gewenste uitkomst toewerkt, kun je vervolgopdrachten wel vergeten. De integriteit en daarmee de onafhankelijkheid van de wetenschap zijn dus wel degelijk in het geding.

Ondernemende universiteiten doen niet alleen op commerciele basis wetenschappelijk onderzoek.

Contacten met derden zijn er ook in de sfeer van het onderwijs. Daarbij binden universiteiten steeds meer met elkaar de strijd aan. De ondernemende universiteit is automatisch een concurrerende universiteit. Zowel in Leiden als in Tilburg kun je een (verkort) doctoraal programma volgen dat wordt beloond met de bul van fiscaal jurist. Het programma, dat zo'n 25.000 gulden kost, wordt op andere universiteiten afgedaan als een cursus `juridische fietsenmakerij'. Het prestige van het wetenschappelijk instituut, als onafhankelijke broedplaats van kwaliteit, neemt door dit soort programma's af. Dat geldt ook voor de samenwerkingsverbanden die worden aangegaan met het bedrijfsleven. In Utrecht hebben bedrijven als Baan, Ortec en de Rabobank invloed mogen uitoefenen op de ontwikkeling van het curriculum van een nieuwe opleiding wiskunde en informatica. De betrokken bedrijven geven in ruil voor die invloed studenten de garantie van een baan. Kennelijk zijn gewone studenten wiskunde en informatica niet goed genoeg.

We betreden een hellend vlak als we toestaan dat bedrijven inhoudelijke invloed krijgen op het wetenschappelijk onderwijs. De universiteit is een hybride organisatie geworden, met een deels onduidelijke doelstelling: een wetenschappelijke of een commerciele. Dat concludeerde ook de Algemene Rekenkamer, die in 1995 een geruchtmakend rapport over de derde-geldstroomactiviteiten van universiteiten publiceerde. De conclusies uit dat rapport spreken voor zichzelf. Bij een meerderheid van de universiteiten schoot het financieel beheer van de derde-geldstroomactiviteiten tekort. De helft van de universiteiten had geen volledig register van de projecten die werden uitgevoerd en niet een universiteit beschikte over een systeem van tijdsverantwoording ten behoeve van derde-geldstroomactiviteiten.

Niet bekend

Er is dus alle reden om over te gaan op financiering van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek dat recht doet aan de onafhankelijke positie van de universiteit. Een centrale rol voor de overheid en onafhankelijke instituten als de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen moet daarbij uitgangspunt zijn. Dat Severnstern en Van Vught pleiten voor een sterkere marktorientatie van universiteiten wekt geen verbazing. De laatste heeft een begrotingsprobleem en de eerste is behalve voorzitter van de Raad van Toezicht van de Universiteit Twente, bestuursvoorzitter van het streekvervoer dat de markt op gaat. Net als Raad van Toezicht-voorzitters Herkstroter (Shell), Kremers (Robeco) en Boonstra (Philips) belichaamt hij de nieuwe relatie tussen universiteit en bedrijfsleven.

Wel verrassend is de opstelling van de directeur en de wetenschappelijk medewerker van het wetenschappelijk bureau van de VVD. Die staat namelijk haaks op het standpunt van de partij die met de nieuwe minister van Onderwijs Loek Hermans kiest voor voortgaande bezuinigingen op wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Daarmee wordt de ontwikkeling naar een marktgeorienteerde universiteit versneld. Kennelijk heeft het wetenschappelijk bureau van de VVD alle invloed op het denken binnen die partij verloren.