Uitbreiding Den Haag leidt nergens toe

De omliggende gemeenten van Den Haag kunnen zich morgen uitspreken over de uitbreidingsplannen van Den Haag. Volgens F. Lortzer is sprake van verovering door Den Haag. Herindeling leidt tot vervreemding.

De burger heeft behoefte aan een kleinschalige

sociale structuur.

Het lijkt een natuurwet in Nederland. Wanneer een grote gemeente is volgebouwd kijkt men waar nieuw gebied kan worden geannexeerd. Is dat agrarische grond, dan laten de bewoners zich meestal graag uitkopen. Betreft het echter kleinere, aanliggende gemeenten of delen daarvan, dan lopen de emoties hoog op. Meestal willen de bewoners van die gemeenten de kleinschaligheid van hun woonplaats niet inruilen voor de onpersoonlijkheid (en vaak ook de hogere lasten) van de grote stad. In de Haagse regio doet dat verschijnsel zich thans in hevige mate voor.

Gedeputeerde Staten willen, op aandringen van de paarse partijen in de vorige Tweede Kamer een `grenscorrectie' doorvoeren: delen van de gemeenten Leidschendam, Nootdorp, Pijnacker, Rijswijk en Voorburg zouden moeten overgaan naar Den Haag.

Het gaat in dit geval niet om een weiland, maar om de gedeeltelijk al bewoonde bouwlocaties Ypenburg en Leidschenveen. Deze zijn enkele jaren geleden door de rijksoverheid in het kader van het zogenoemde VINEX-beleid aangewezen. Zij worden thans ontwikkeld door een samenwerkingsverband van de randgemeenten en de stad Den Haag. De bouwstromen beginnen goed op gang te komen. Ongeveer hetzelfde geldt voor een aantal bedrijfslocaties. Bijzonder is in dit geval dat deze niet rechtstreeks aan Den Haag grenzen, maar daarvan worden gescheiden door delen van de oude kernen van Rijswijk en Voorburg, door het Rijn-Schiekanaal en door de A4. Zij zouden met Den Haag moeten worden verbonden door een `corridor' dwars door de bestaande bebouwing van Rijswijk en Voorburg.

Voor deze `grenscorrectie' worden vooral de volgende redenen aangevoerd:

1. Den Haag is `vol' zodat er niet meer voor de `eigen' bevolking gebouwd kan worden.

Vooral de midden- en hogere inkomens zouden naar de randgemeenten trekken. Daardoor zou de sociale structuur van Den Haag verder verslechteren.

2. Een deel van de tekorten van Den Haag, die begin dit jaar door het kabinet-Kok I met een donatie van 1,1 miljard gulden werden aangezuiverd, zou te wijten zijn aan ruimtenood. De belangrijkste oorzaken van die tekorten waren overigens de te lage uitkeringen van het Rijk in verband met de centrumfunctie van Den Haag en voor stadsvernieuwing. Daar is inmiddels verbetering in gebracht.

3. Den Haag wil zelf de `regie' in handen krijgen over de ontwikkeling van de woningbouw- en de bedrijfslocaties.

Op die argumenten valt wel af te dingen. De VINEX-bouwlocaties zijn nadrukkelijk ook bedoeld voor de lagere en lage middeninkomens uit de hele regio. De woningbouwverenigingen van Den Haag en de randgemeenten werken daarin nauw samen met particuliere beleggers. Volgens Den Haag zelf zullen deze locaties voor zo'n 70 procent bewoond worden door `Hagenaars'. Dat was ook de bedoeling, want daardoor komt er in Den Haag ruimte vrij voor de noodzakelijke herstructurering van oude wijken. Maar dragen die mensen een stempel dat ze Haags eigendom zijn en dus moeten blijven? En draagt dat bij tot de gewenste verbetering van de sociale structuur van de stad?

Dan is er het geld. Volgens Den Haag zou de voorgestelde grenscorrectie 400 tot 1.100 miljoen gulden aan extra inkomsten opleveren. Over welke periode dat berekend wordt (en welke uitgaven daartegenover staan) is niet gezegd. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland berekenen een meeropbrengst voor Den Haag van 30 miljoen gulden per jaar en - over een lange periode bezien - misschien 100 miljoen gulden eenmalig.

Ook zij zwijgen over de extra uitgaven. Het bedrag van 30 miljoen gulden - een fractie van de Haagse begroting - is trouwens aantoonbaar te hoog.

Het derde argument was de `regie'. Den Haag wil niet in samenspraak met anderen, maar zelfstandig bepalen hoe de wijken, bedrijvenparken en infrastructuur worden aangelegd en beheerd. Hoewel veel van die plannen al zijn vastgelegd, verwacht Den Haag een meeropbrengst uit de zogenoemde `optimalisatie'. Dit kan niet anders betekenen dan verdichting: boven de Rijksnorm van circa 35 woningen per hectare worden meer woningen gepland, op voorziene groen-, speel- en sportterreinen wordt beknibbeld, enzovoort. Het gebied wordt zo minder aantrekkelijk.

Hoe Den Haag die `regie' verder denkt te regelen, is niet duidelijk. Deze zomer bleek dat de betreffende diensten nu al overbelast zijn. Er liggen nog zo'n 25 plannen te wachten voor herstructurering van bestaande wijken binnen de huidige grenzen. Een plan voor een gigantisch kantorencomplex HoogHage wacht op financiering. Ook aan de wegverbindingen binnen de stad valt nog veel te doen. Niettemin wil Den Haag ook de toevoerwegen zelf realiseren met geld van provincie en Rijk. Dat de provincie dat uit handen geeft is opmerkelijk. Tot nu toe is vooral de provincie verantwoordelijk voor die verbindingen.

Veel belangrijker is echter dat deze grenscorrectie een typische kortetermijnoplossing is. Als over zo'n zeven jaar de nieuwe bouwlocaties volgebouwd raken, zit Den Haag weer aan de streep. Volgen dan nieuwe annexaties? De eerste geluiden van Haagse zijde in die richting zijn al gehoord. Met een bruggenhoofd midden in de randgemeenten, zoals nu voorgesteld, zal de neiging tot verdere veroveringen niet te bedwingen zijn.

Het gevolg is een nog grotere stad met nog meer vervreemding tussen burger en stadsbestuur, die dan weer moet worden bestreden met dure lapmiddelen als deelgemeenten. Een verdere samenwerking zou een betere oplossing voor de problemen in de regio zijn. Die bestaat nu al in de vorm van het gewest-Haaglanden: een samenwerkingsvorm met hoopvolle resultaten ondanks beperkte bevoegdheden en middelen. Aan die beperkingen kan worden gewerkt. Of het dan een `stadsprovincie' genoemd wordt of wat anders is van minder belang.

Over een stadsprovincie waren al besprekingen gaande, hoewel die niet vlot verliepen. Overvragen van de kant van Den Haag op het gebied van bevoegdheden en middelen en vrees bij de randgemeenten om alsnog door Den Haag overvleugeld te worden speelden daarbij een rol. De provincie hield zich vooral afzijdig. De besprekingen kregen echter geen kans om te worden afgerond. De nationale politiek kwam tussenbeide.

In de motie-Remkes werd als reden voor de grenscorrecties in de Haagse regio aangevoerd dat een stadsprovincie in Zuid-Holland, te weten die voor Rotterdam, genoeg was. Wat daarvan terecht is gekomen, weten we. Maar de grenscorrectie Den Haag moet desondanks blijkbaar doorgaan. Of dat diepe groeven zet in de bereidheid om nu of in de toekomst tot samenwerking te komen, wordt niet gevraagd. De provincie dreigt nu al dat als die samenwerking er niet alsnog komt, nieuwe annexaties zullen volgen.

De burger heeft behoefte aan een eigen plek, een kleinschalige sociale structuur. Zoals de oud-directeur-generaal van de Rijksplanologische dienst, prof.dr.mr. J. Witsen schreef in een pleidooi om de gewestvorming in Haaglanden een kans te geven: dit moet gebeuren “op een manier dat de bewoners zich thuis blijven voelen en dat met name de grote betrokkenheid, die binnen de randgemeenten bestaat, benut wordt en niet gefrustreerd'.