Moord op homo wekt afschuw in VS

De motorrijder die Matthew Shepard woensdagavond vond, dacht eerst dat hij een vogelverschrikker was. Shepard hing namelijk in coma aan een hekwerk, waaraan zijn aanvallers hem hadden vastgebonden nadat ze zijn schedel hadden ingeslagen en hem in brand hadden gestoken. Hij hing daar al achttien uur, bij een temperatuur van rond het vriespunt.

Gisteravond stierf de fragiele Matthew Shepard op 22-jarige leeftijd in een ziekenhuis aan zijn verwondingen. Volgens de politie was hij vooral slachtoffer van een roofmoord, volgens activisten voor homorechten betreft het een `hate-crime'.

Shepards dood was al gepolitiseerd voordat hij zijn laatste adem uitblies. En het is niet uitgesloten dat er nog een wet naar hem wordt vernoemd, zoals de verkrachting en moord op de 7-jarige Megan Kanka in 1994 leidde tot Megan's Law, een wet die de autoriteiten in sommige gevallen verplicht een buurt op de hoogte te stellen als daar een veroordeelde van een zedenmisdrijf komt wonen. President Clinton riep gisteren op tot tolerantie voor homoseksuelen en vroeg het Congres wetgeving te ontwikkelen om `hate-crimes' - misdrijven die voortkomen uit racistische motieven - uit te breiden met misdrijven die worden gepleegd uit afkeer van een seksuele voorkeur of een handicap.

De student politicologie Shepard was openlijk homoseksueel in het afgelegen universiteitsstadje Laramie in Wyoming. De twee verdachten van de moord, de 21-jarige Russel Anderson en de 22-jarige Aaron McKinney, zouden Shepard uit een kroeg hebben gelokt door zich als homoseksueel voor te doen. Eerst wilden ze hem beroven, maar McKinney zou zich vernederd hebben gevoeld omdat Sherpard met hem flirtte.

Gisteren gingen in tientallen steden duizenden de straat op voor een dodewake voor Shepard. Het is onduidelijk of een campagne van christengroepen, die homo's oproepen genezing te zoeken in de Here, deze week nog van start gaat.