Clintons psychogram II

De meesten onzer zijn leken op psychologisch, psychiatrisch en psychotherapeutisch gebied, maar toch hebben we allemaal om de divan of de snijtafel mogen staan toen de twee psychotherapeuten Louis Tas en Nelleke Nicolai president Clinton in Z van zaterdag jl. onder het mes namen.

Deze bevoorrechte positie geeft ons de gelegenheid een paar opmerkingen te maken en een paar vragen te stellen. In de eerste plaats: in het gesprek tussen Daniela Hooghiemstra en de twee psychotherapeuten wordt Clintons promiscuiteit als een feit aangenomen. De eerste zin van het artikel luidt: “Waarom gaat Bill Clinton steeds weer vreemd?' Daarna wordt gesproken van “zijn verslaving aan vrouwen' en over “mannen die, zoals Clinton, promiscue zijn'.

Nu ben ook ik geneigd geloof te schenken aan al die verhalen over zijn vrije opvattingen omtrent de liefde, maar ik wil toch vaststellen dat hijzelf die verhalen steeds heeft ontkend, behalve in een geval: dat van Gennifer Flowers, die beweert twaalf jaar een verhouding met hem te hebben gehad. Hier heeft hij, na dit eerst ontkend te hebben, toegegeven het een keer met haar gedaan te hebben.

Paula Jones, die de zaak aan het rollen bracht, die mevrouw die hij op zijn kantoor zou hebben aangerand toen zij hem om hulp kwam vragen (en op het ogenblik dat haar man zich van kant maakte) hij ontkent iets met hen gedaan te hebben. Zelfs met Monica Lewinsky had hij, volgens eigen zeggen, juridisch gesproken geen seksuele relatie.

Maar goed, als die twee psychotherapeuten Clintons promiscuiteit als een feit aannemen (en dus zijn ontkenningen als leugens opvatten), zal ik dat ook maar doen - hoewel ik toch de vraag zou willen stellen: met hoeveel verschillende vrouwen of mannen moet iemand iets hebben gehad, wil zijn of haar gedrag promiscue genoemd worden? Vier? Tien? Twintig? Honderd?

Een tweede opmerking die ik wil maken naar aanleiding van dat interview met die twee psychotherapeuten is deze: er wordt geen aandacht geschonken aan het feit dat in de gevallen waarover meer bijzonderheden bekend zijn geworden, niet overgegaan is tot coitus.

In Paula Jones' geval was er (althans volgens haar verhaal) slechts sprake van exhibitionisme; in dat van Monica Lewinsky van allerlei handelingen, maar geen coitus (vandaar dat Clinton meent te kunnen volhouden dat hun relatie, juridisch gesproken, geen seksuele relatie was).

Als dit een patroon zou zijn in Clintons zogenaamde promiscuiteit, dan zou dat toch een psychologisch interessant, ja misschien abnormaal geval zijn. Bij promiscuiteit denk je toch meestal aan een volledige geslachtsgemeenschap; stopt de relatie daarvoor, dan is zij, hoe vaak ook voorkomend, eerder abnormaal te noemen.

Psychotherapeut Tas zegt dat de promiscue man niet echt bevredigd zal zijn, “anders blijft hij niet zo dwangmatig bezig'. Clinton is dus we gaan nog altijd uit van zijn promiscuiteit als feit dwangmatig bezig. Dwangmatig of drangmatig? Psychologen maken een onderscheid tussen beide begrippen.

De dwangmatige patient beleeft de impulsen die hem tot handelingen aanzetten, niet als voortkomend uit zijn eigen persoonlijkheid. Zij worden, zoals dat heet, als ik-vreemd beleefd. De drangmatige patient voelt dat zijn driftmatige impulsen voortkomen uit zijn eigen persoon.

De laatste lijdt ook vaak aan perversiteiten, een terugkeer naar infantiele vormen van seksualiteit, waarbij het komt tot een orgasme, maar de coitus op de achtergrond blijft of helemaal niet voorkomt. Daaraan beantwoordt, voor zover bekend, het beeld van Clinton.

Dit hoeft niet te betekenen dat de drangmatige patient geen geweten heeft. Integendeel, het kan zijn dat hij zichzelf voor zijn seksuele handelingen wil straffen, althans straf wil uitlokken door die handelingen te verrichten op plaatsen waar de kans op ontdekking levensgroot is.

Clinton in de Oval Room van het Witte Huis en, sterker nog, over de sekstelefoon.

Maar hoe zit het dan met zijn leugens? (Hij heeft zelf toegegeven dat hij zijn familie en medewerkers misleid heeft). Hoe klopt dat met een sterk geweten? Dat klopt wanneer de patient in zijn eigen leugens gaat geloven, en dat gebeurt heel vaak. Zoals Nietzsches Zarathustra zegt: “Dat heb ik niet gedaan, zegt mijn trots. Dat heb ik wel gedaan, zegt mijn geheugen. Tenslotte geeft het geheugen op.'

Habituele leugenaars ogen vaak sympathiek, overtuigend en eerlijk. Was het anders, dan zouden zij niet geloofd worden. Ook Clinton oogt - heel anders dan zijn voorganger Nixon - sympathiek en geloofwaardig. Vandaar dat zijn medewerkers hem geloofd hebben toen hij hun zijn onschuld bezwoer.

Maar laten we ophouden met dit psychogram. Daarvoor weten wij, net zoals de twee psychotherapeuten, te weinig van Clinton - vooral te weinig van zijn jeugd in een gebroken gezin op het armoedige platteland van het armoedige Arkansas. Dit is stof voor toekomstige historici. Op dit ogenblik wordt hem geen psychologisch, maar bij uitstek politiek proces aangedaan.