China wil nieuw leger, maar wie betaalt?

Eind vorige week is China's Centrale militaire commissie formeel akkoord gegaan met de beeindiging van de commerciele activiteiten van het Volksbevrijdingsleger. Peking wil een professioneler leger, en daartoe moet de civiele rol van het militaire apparaat worden teruggedrongen.

De elektronische hartslag van een discotheek op het terrein van de militaire fabriek `3501', langs Pekings oostelijke ringweg, dreunt de nacht in. Overdag is de fabriek een plek van orde en discipline, en verboden terrein voor onbevoegden, maar 's avonds, tot in de vroege morgen, verkeren hier de losbandigsten onder de Chinese jeugd; meisjes en jongens met fluoriserende lippen, haar in rode pieken, strakke leren broeken, op schoenen met plateauzolen.

Zhang Hongkai, een van de managers van Beijing Hot Top Disco Club, vertelt dat de onderneming niets met het leger van doen heeft. “Wij huren slechts een ruimte van hen'. Hoeveel daarvoor wordt neergeteld, wil hij niet kwijt. Duidelijk evenwel, is dat het om veel geld gaat. Hot Top is een van de succesvolste clubs in de hoofdstad, en een sprekend voorbeeld van de manier waarop het Chinese Volksbevrijdingsleger de afgelopen jaren aan extra inkomsten komt. Gemiddeld komen er 750 mensen per avond. De laatste hits worden opgestuurd uit Amsterdam en Berlijn. Zhang en zijn collega's hebben daar de beste contacten. Over het recente decreet van de Chinese regering, dat opdraagt tot de beeindiging van alle commerciele activiteiten van het leger, maakt hij zich geen zorgen. “Wij helpen het land toch? We steunen het leger. Dat moet ook geld verdienen.'

De Chinese autoriteiten willen de slagvaardigheid van het leger verhogen. Zij zijn zich bewust van de zorgelijke staat van dienst van de 3 miljoen manschappen. In het gunstigste geval staat het leger bekend als een zelfvoorzienend zakenimperium, met vele civiele ondernemingen, dat mede door toedoen van de economische hervormingen in de afgelopen twee decennia steeds verder af is komen te staan van zijn oorspronkelijke militaire rol.

Maar in het ongunstigste geval bestaat het leger uit een wetteloze bende oplichters, betrokken bij smokkel en wapenhandel, en tot op het bot corrupt.

Onder leiding van president Jiang Zemin ijvert het Chinese kabinet de laatste jaren voor een kleiner en professioneler leger. De verordening van Jiang, afgelopen zomer, om alle zakelijke activiteiten van het leger stop te zetten, vloeit rechtstreeks voort uit die behoefte. In de afgelopen twintig jaar, sinds het begin van de economische hervormingen, heeft het leger, ter aanvulling van een mager defensiebudget, zijn omvangrijke en compleet zelfstandig militaire structuur, bestaande uit eigen scholen, ziekenhuizen, restaurants en hotels, opengesteld voor de burgermaatschappij. Daardoor is tussen de militaire en burgerlijke macht een verstrengeling van belangen ontstaan, met als pijnlijk gevolg een niet aflatende corruptie.

De Chinese regering beweert nu dat het volledige opdoeken van de commerciele tak van het leger de enige oplossing is voor de bestrijding van het kwaad. Maar eenvoudig is dat niet. “De burgermaatschappij heeft altijd veel meer mogelijkheden gehad om geld te verdienen dan wij', zegt een regimentscommandant van het leger. “Onze uitgaven zijn hoog, en het budget dat de overheid voor het leger heeft bestemd, is laag. Daarom zijn wij genoodzaakt eigen bronnen van inkomsten te zoeken. Als we onze civiele industrieen moeten sluiten, moeten we op zijn minst door de staat worden gecompenseerd.'

Daarover bestaat evenwel volstrekt geen zekerheid. Volgens schattingen van buitenlandse militaire analisten sluist het civiele handelsimperium van het leger, in totaal zo'n 20.000 bedrijven, jaarlijks omgerekend tussen de drie en zes miljard dollar door naar defensie.

Een veel groter deel zou lokaal worden herbesteed of onderweg in persoonlijke zakken verdwijnen. Naast het bestaande defensiebudget dat dit jaar volgens officiele gegevens bijna elf miljard dollar bedraagt en dat volgens onofficiele, buitenlandse gegevens drie keer zo hoog is moet de centrale overheid dus minimaal drie miljard dollar ophoesten om het inkomensverlies goed te maken.

Dat bedrag kan nog veel hoger worden wanneer Peking de hoge subsidies afschaft die het altijd heeft verstrekt bij de aanschaf door het leger van militair materieel.

Eerder dit jaar besloten de Chinese autoriteiten de inefficiente defensie-industrie aan te passen aan de markt, en de prijzen te laten fluctueren met de vraag. Wanneer het leger voortaan de volle prijs moet betalen voor de wapens die het in China koopt jaarlijks zou dat nog eens om een `verscholen defensiebudget' van tien miljard dollar gaan dan zal het ook daarvoor compensatie wensen.

Vrijwel niemand in China gelooft dat de Chinese regering, onder de zorgelijke economische omstandigheden waarin het land momenteel verkeert, in staat is met een dergelijke hoeveelheid geld over de brug te komen. Vooral in militaire kringen bestaat grote twijfel. “Als het geld er voorheen niet was, waarom zal het er nu dan wel zijn', zegt de eerder aangehaalde regimentscommandant. “We zijn militairen en we dienen te doen wat ons wordt opgedragen, maar volgens mij zijn de plannen van Jiang praktisch onuitvoerbaar.'

Over zijn eigen toekomst maakt hij zich dan ook niet veel zorgen. “Ik bekleed een hoge positie. Ik voel me niet bedreigd'. zegt hij. Maar wat diegenen te wachten staat, die zich onder aan de ladder bevinden, dat baart hem wel degelijk zorgen.

Een oplossing die een van China's meest uitgesproken economen op het gebied van militaire hervormingen voorhanden heeft, is belastingverhoging. “Laat de maatschappij opdraaien voor de diensten van het leger', schrijft Hu Angang van de Chinese academie voor wetenschappen, in een recent artikel. Hij hekelt indirect de landelijke en lokale overheden die tijdens de overstromingen van afgelopen zomer kosteloos gebruik hebben gemaakt van de diensten van het leger. “In een moderne economie voorziet ook het leger in een aanbod en een vraag. Als het diensten aanbiedt, behoort daar vanzelfsprekend een prijskaartje aan te hangen.'