Bevroren voeten en een wrede vader op het jeugdtoneel

IJzige koude, bevroren voeten, een gebochelde vader die klemmen op je handen zet als je niet naar hem luistert: voor de personages in Drijfijs van Huis aan de Amstel lijkt alle hoop geweken. Twee broers drijven met hun verwekker rond op een ijsschots door een ijszee. Hoe dat precies zo gekomen is, is niet helemaal duidelijk.

Wat een ellende, wat een uitzichtloosheid. Uit een aantal douchekoppen, hoog boven de spelers, ruist aan het begin van de voorstelling indrukwekkend lang water omlaag. `Waarom? Waarom?' roept een der broers vertwijfeld. Hij is de dromer van het stel, die er meestal nog wel in slaagt aan een pan spetterende braadworst of aan aardbeien te denken. De ander concludeert dat God niet bestaat en probeert hardnekkig dood te gaan. Hun grimmige vader intussen onthult het een en ander over zijn leven als kind in een weeshuis, waar hij nooit iets anders kreeg dan slaag. Hij klampt zich vast aan illusies. Ooit plette hij haringkoppen in de kelder van een gelatinefabriek, waar zijn bochel het plafond schuurde. De fabriek was hofleverancier en, wie weet, at ooit `een zo verheven mens als de koningin' een puddinkje van een door hem platgeslagen haringkop. Voor zijn zoons is de bultenaar keihard. `Twee meisjes met een piemel' noemt hij hen. Veel ontwikkeling zit er niet in het stuk. Het is een raadsel wat regisseuse Anny van Hoof precies voor ogen stond, behalve het verbeelden van ellende en uitzichtloosheid. Al heel gauw is afdoende duidelijk hoe de drie personages verschillen, hoe dat botst en hoe de broers desondanks aan elkaar gehecht zijn. Ondanks het uitstekende spel laten hun lotgevallen je betrekkelijk koud. Zeker voor tienjarigen lijdt de voorstelling onder een teveel aan tekst. Drijfijs zal waarschijnlijk eerder een volwassen publiek aanspreken, met de gedachten over een al dan niet voor het lijden verantwoordelijke God en het vertwijfeld herhalen van het Onze Vader. Bovendien is Drijfijs wel erg gruwelijk. Een van de acteurs onthult een zwart-paars uitgeslagen been: `En als ik hier duw komt er allemaal spul uit dat gat.'