`Beschouw graffiti als creatieve subcultuur'

De overheid moet graffiti niet opvatten als een vorm van vandalisme maar als een uiting van subculturele creativiteit. Dat biedt meer mogelijkheden om het verschijnsel in te dammen. Dat kan bijvoorbeeld met een zogenoemde Wall of Fame, een gedoogzone voor graffiti-artiesten.

Dit concluderen I. Duijs en J. Ermers in hun afstudeeronderzoek, een stadsetnografische studie naar de graffitipraktijk in Utrecht. Het onderzoek werd begeleid door de Utrechtse criminoloog profBovenkerk.

Duijs en Ermers presenteerden de resultaten van hun studie gisteren tijdens de start van een graffiti-bestrijdingsploeg van de Utrechtse reinigingsdienst. De twee onderzoeksters spraken met 32 graffitispuiters. De doelgroep blijkt geen overeenkomsten te hebben met vandalen. Hun opleiding en leeftijd is meestal hoger en ze besteden aan hun hobby veel geld met als hoogste doel een `schilderij' (in het jargon een `piece') op een riskante, in het oog springende plek. Het gaat hun vooral om de kick en de erkenning in eigen kring. Een piece van enige omvang kost honderden guldens aan spuitbussen. De meeste ondervraagde graffiti-spuiters gaven tijdens het onderzoek aan dat zij hun materiaal uit eigen zak betalen. Ze willen niet het risico lopen te worden opgepakt wegens winkeldiefstal, waardoor het eigenlijke werk onmogelijk wordt.De ultieme `kick' is om met een `crew' op een `yard' een `whole car' neer te zetten: een groep neemt dan 's nachts met militaire precisie op een rangeerterrein een treinstel onder handen. De Nederlandse Spoorwegen besteden jaarlijks tien miljoen gulden aan de verwijdering van graffiti van treinstellen. Per jaar worden zo'n driehonderd daders opgepakt. De repressieve aanpak heeft tot gevolg dat alleen de harde kern blijft spuiten. Sinds zo'n vijf jaar zijn de graffiti over hun hoogtepunt heen.