Terug naar Tasmanië

Zes jaar geleden is mijn nichtje met haar ouders, haar ongetrouwde tante en haar oma vanuit Tasmanië, waar ze met zijn allen in twee blokhutten op een eigen stuk land boerden, naar Canada geëmigreerd. Daar is haar vader een chocoladefabriek begonnen. Mijn nichtje heeft op de heenreis met haar vader twee maanden bij mijn moeder gelogeerd. De vader volgde een cursus bonbons maken in België en bezocht daar verschillende bedrijven om te zien wat voor machines hij nodig had. Hoewel hij toen al vijftig was, was hij vol goede moed over de onderneming. “Niets is voor eeuwig”, zei hij, “je kunt altijd weer ergens opnieuw beginnen.” Mijn nichtje was toen elf. Een lief, verlegen meisje met lang haar en grote, nieuwsgierige ogen.

Haar ouders zijn Jehova's getuigen. In Canada bleek zij, zo jong als zij was, dat milieu te beperkend te vinden. Ze wilde vrijheid om te experimenteren. De berichten sijpelden door in brieven naar mijn moeder. Op haar vijftiende schoor ze haar hoofd kaal. Ze ging niet meer naar de zaal, haar vader durfde haar niet te dwingen uit angst dat ze van huis zou weglopen.

Haar oma was met de ongetrouwde tante na twee maanden weer teruggegaan naar Tasmanië, omdat ze het ook in Canada niet met haar schoondochter kon vinden. De JG geloven in eeuwig leven in een aards paradijs. De schoondochter schijnt over de oma gezegd te hebben: “Als zij in het Koninkrijk komt hoeft het voor mij niet meer.”

De vader van mijn nichtje miste zijn moeder, moest te hard werken en gaf Canada de schuld van de problemen met zijn dochter. Hij verkocht de hele rataplan en remigreerde met zijn gezin naar Tasmanië. Ze maakten een tussenstop bij mijn moeder.

Mijn nichtje was intussen een uit de kluiten gewassen jongedame met een stevige boezem geworden, zwart geverfd haar dat ze met een speld in een eigenwijze golf had vastgezet. Betty Boop-ogen en een bepaald vrolijk stemmende pruillip. Ze had met haar gemanoeuvreer haar ouders aan de rand van een echtscheiding gebracht. “Daar wil ik niets over horen”, zei mijn moeder meteen toen ze het te weten kwam, maar ze informeerde toch naar bijzonderheden. Die kreeg ze mondjesmaat toegediend als een van de huwelijkspartners de kamer verliet en de ander kans zag zijn hart te luchten.

Mijn nichtje had de laatste paar jaar alle drugs gebruikt die op de markt zijn. Ze was over de kop geslagen in een gestolen auto, getuige een diep litteken op haar voorhoofd. Ze had zich met een groep leeftijdsgenoten een weekend opgesloten in een caravan, waar ze zich had laten pakken door jongens, meisjes, van voor, van achter, met zijn tweeën, met zijn drieën. Haar vader had haar daar weggehaald en zij had rapport uitgebracht toen ze dronken op de achterbank lag. Dat was nog niet het ergste. Het ergste was dat ze een paar maanden voor ze vertrokken uit Canada een vriendje had gekregen. Een vaste relatie. Volgens haar vader een slungel met punkhaar. Ze dagdroomde er nu over haar hielen te lichten, de halve wereldbol weer over te reizen en zich in de buurt van Vancouver te vestigen. Haar moeder had al verklaard dat ze dan mee zou gaan. Haar vader, die in zes jaar tijd vijftien jaar verouderd leek en zei dat alle plezier uit zijn leven was verdwenen, had te kennen gegeven dat ze voor zijn part konden vertrekken, maar dat hij op weg was naar Tasmanië en daar zou blijven voor de rest van zijn leven.

Mijn nichtje is een dag bij me geweest. Ik heb haar de hele stad door gesleept, mijn familieverpakking wiet laten zien, haar aan mijn waterpijp laten lurken, speciaal voor haar de Beasty Boys opgezet, haar meegenomen naar een theatervoorstelling. Ze onderging dit alles minzaam. Haar ouders waren van plan een auto te huren en daarmee naar Spanje te toeren, alleen om haar te plezieren, om haar een onvergetelijke ervaring te bezorgen. Ze bekende mij dat ze er geen zin in had.

“Ik zit altijd met die mensen opgescheept. Ze vinden hele andere dingen leuk dan ik”, zei ze.

“Dan ga je toch alleen nar Spanje”, antwoordde ik. Ze had geld gespaard, als ze wilde kon ze kleren kopen, musea bezoeken. Ik gaf haar tips over Barcelona en Soria.

Later hoorde ik dat ze ternauwernood genoeg lef had gehad om in haar eentje met de trein naar Amsterdam te reizen. Bang dat ze op een verkeerd station zou uitstappen.

Ze was voor haar eindexamen van school gegaan. “Wat wil je gaan doen?” vroeg ik. Ze stak haar onderlip naar voren. Misschien dat ze naar een kunstacademie wilde.

“Ik zeg het één keer”, zei ik uiteindelijk, ik was het zat dat iedereen haar altijd met handschoentjes aanpakte, “en als je het er niet mee eens bent, leg je het maar naast je neer. Je moet je ouders de rust gunnen om samen oud te worden. Als je zo'n grote bek hebt, laat dan eerst eens zien dat je jezelf kunt bedruipen. Maak je opleiding af, dan kun je gaan studeren. Als je dat zo nodig moet, ga dan naar een kunstacademie. Zorg in ieder geval dat je geld verdient zodat je een huis kunt huren. Dan kun je doen waar je zin in hebt. Met iedereen neuken, spuiten, snuiven en slikken tot je erbij neervalt.” Zo orakelde ik door, totdat ik er zelf koppijn van kreeg. Ik had een droge strot gekregen en ik was moe. Ik pakte mijn fietssleutels en bracht haar naar de trein. Op het perron nam ik een beetje gegeneerd afscheid.

Het maakte meer indruk dan ik had verwacht. De schrik was haar blijkbaar behoorlijk in de benen geslagen. Ze is nu in Tasmanië, waar ze zich voorbeeldig gedraagt, hoor ik via mijn moeder. Ze blijft voorlopig bij haar ouders, heeft van haar spaargeld een auto gekocht en gaat zelfs weer mee naar de zaal, waar ze al enkele vrienden heeft gemaakt. Ze zweert bij hoog en bij laag dat ik haar held ben.