Stom, stom

Blikvernauwing, dat moet het zijn. Soms heb ik het als ik lees. Een beetje een particuliere afwijking, geloof ik. Een komische column of een ironisch commentaar heeft op mij een bizar effect. Ik lees dat grappige stukje, en grinnik mee tot het uit is. Maar dan kan ik niet zomaar ophouden.

Mijn `leesblik' blijft meestal nog even op `grappig bedoeld' staan, en de eerste paar zinnen van het artikel waar ik direct daarna aan begin, bekijk ik in de verwachting dat ik erom zal kunnen lachen. Wat natuurlijk zelden het geval is, en dan zet ik de knop dus gauw weer om naar `neutraal lezen'. Ik begrijp zelf eerlijk gezegd niet veel van dit verschijnsel, en om die reden leg ik het wel eens voor aan iemand, maar dat levert altijd niet-begrijpende blikken op. Beter uitleggen kan ik het jammer genoeg niet, en ach, er heeft verder niemand last van.

Soms heb ik het ook als ik praat. Dat is al vervelender. Tenminste, als de vernauwing een negatieve blik oplevert. Een simpel voorbeeld, waarvan ik wel zeker weet dat het anderen ook overkomt. Een vriendin is nou al drie keer achter elkaar veel later dan afgesproken komen opdagen. Ineens zie je het glashelder: dat mens komt ook altijd te laat.

Je spreekt haar daar dus eens duchtig op aan, vaart lekker uit. Maar er komt weerwerk: twee van de drie keer was er aantoonbaar sprake van overmacht, en trouwens, jijzelf bent toen en toen ook te laat gekomen, weet je nog wel? Ja, dat weet je nog wel, en ineens begrijp je niet meer hoe je blik zich zo heeft kunnen versmallen. Je denkt: wat zit ik ook te zeuren, en hop, je kijk op de zaken en daarmee de gespreksstof en conversatietoon staan weer in de normaal-stand.

Helaas, ook schrijvend lijd ik wel eens aan blikvernauwing. Zo heb ik eens een keer in een naschrift bij een ingezonden brief gezet dat de schrijver zijn kritiek maar voor zich moest houden als hij zelf geen oplossing kon geven voor het probleem waar het over ging. De precieze kwestie ben ik vergeten, en de bewoordingen waren netter, maar ik begrijp tot op de dag van vandaag - meer dan tien jaar later - niet wat me bezield heeft dat op te schrijven. Ik v¡nd helemaal niet dat je iemand pas mag aanvallen op wat hij beweert als je exact kunt uitleggen hoe het dan wel zit. Dat zou een mooie boel worden. Nou ja, kennelijk voelde ik me in het nauw gedreven. Beschamend blijft het.

Maar nog niet zo gˆnant als de fout die ik in de vorige aflevering van deze rubriek maakte. Toen ging het onder andere over het abominabele Engels van veel internationaal opererende politici, multinational-directeuren en hoogleraren. Dat Engels is vaak gruwelijk, maar mijn pedante vermaning maar eens te beginnen met voortaan een s altijd als een s uit te spreken, zal daar geen verbetering in brengen. Dat moet namelijk helemaal niet altijd. Wel bij bijvoorbeeld `research' en `loose', waar Nederlandse monden er al gauw een z van maken. Maar probeer de s maar eens als s te laten klinken in woorden als `resume', `intrusion' of `feasibility'. No way. Alsof ik dat niet wist!

Dagen heb ik me het hoofd gebroken over hoe ik nou zo achterlijk geweest kon zijn. Het enige dat ik kon bedenken: blikvernauwing. De wel degelijk aanwezige alarmbelletjes bij het schrijven genegeerd. Verblind geraakt door ergernis over iemand die ik net daarvoor stapels s'en ten onrechte als z'en had horen uitspreken, en half in de war met een andere regel, die ik ook gaf, en die w‚l waar is: een d aan het eind van een Engels woord moet, anders dan in het Nederlands, echt als een d worden uitgesproken. Stom, stom, stom.

Ik had mijn vergissing al ingezien, maar er verscheen ook een ingezonden brief in de krant waarin een en ander me fijntjes onder de neus gewreven werd. Ai! En maar goed dat dat gebeurde. De heilige angst voor dergelijke brieven heeft van mij al lang een ander mens gemaakt: het is een zeer werkzaam bestrijdingsmiddel tegen mijn natuurlijke luiheid, mijn ingebakken gebrek aan lust om voor alle zekerheid iets t¢ch nog even na te kijken. Maar om de angst erin te houden, moet er inderdaad een terechtwijzing komen als ik hem verdien. En natuurlijk gaat dat niet alleen voor mij op.

Ingezonden-brieven-schrijver-met-groot-gelijk, u bent de nachtmerrie van elke gewetensvolle journalist, maar wie corrigeert ons nou anders? Blijft u vooral schrijven.