Organiste Alain mist de kerkgalm

Concert: Ned. Kamerorkest o.l.v. Philippe Entremont m.m.v. Marie-Claire Alain, orgel. Gehoord: 10/10 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 13/10.

Frêle, in zwart gekleed en klein van gestalte, daalde de organiste Marie-Claire Alain, nestrix van de Franse orgelcultuur, de trap van het Concertgebouw af. In haar eentje begon ze aan een Méditation uit La Nativité du Seigneur, een vroeg werk van Olivier Messiaen. Het ging over Les Bergers: 'Toen de herders het kindeke in de kribbe hadden gezien, keerden zij terug, verheerlijkende en prijzende God.' Très lent en staccato werden de akkoorden volgens voorschrift de zaal ingestuurd. Los van elkaar staan die klanken dus - maar in een godshuis zou de nagalm ze naar elkaar toe hebben gebracht. In de Grote Zaal werkten de rusten tussen de akkoorden als potentiële valkuilen, als onrusten eigenlijk.

De organiste nam de afstanden zonder blikken of blozen en door haar ijzige regelmaat durfde ook de luisteraar op den duur enigszins gerustgesteld te ademen. Bien modéré volgden even later de korte, snelle notenslingers, die onder een kerkgewelf zoveel suggestie wekken, maar in een concertzaal gauw uit het lood liggen.

Alain behield haar greep, maar pas in de soepele cadans van het Modéré joyeux - met name in de variatie daaruit, met snellere, doorlopende noten - begon er een zeker comfort te ontstaan, hoewel ook dat weer werd aangevochten, nu door ontstemmingen in het orgel. Ach, ook de herders zelf zullen indertijd gebrek aan weerklank hebben ondervonden. Bij Alain in het Concertgebouw bleef in ieder geval de stille tinteling van het geloof in hun kerstgeluk liggen.

Messiaens La Nativité (1935) stamt uit de tijd dat Marie-Claire's broer Jehan Alain nog niet was gesneuveld in de begindagen van de Tweede Wereldoorlog. Maurice Duruflé herdacht hem met de Prélude et fugue sur le nom d'Alain en Marie-Claire, veertien toen ze haar broer verloor, liet zich bij de vertolking van dit stuk niet door de biografische bagage van de wijs brengen: ze speelde tekstgetrouw, traditioneel van aanpak en ingehouden. Ze had zichzelf een niet geringe taak gesteld: de kleinste missertjes in het quasi-improvisatorische filigrainwerk werden met venijn hoorbaar, alle stiltes hadden weer de neiging onzalig te klinken.

Wat is de organiste kwalijk te nemen? Niets. Ze had het tempo kunnen aanpassen, kleiner fraseren, maar daar zijn het de stukken niet naar. Een minder mens zou voor ruisende toccata's hebben gekozen. Vervelender was het dat Alain als soliste in Francis Poulencs Concert voor orgel, strijkers en pauken (1938) weigerde te overdrijven. Dit is nu juist zo'n stuk dat een droge akoestiek wèl verdragen kan, omdat het is gesitueerd in een ordinaire danszaal, van waaruit half spottend, half verlangend aan de kerk wordt gerefereerd, aan pseudo-religieuze opera's en aan Bachs Fantasie BWV 542.

Het stuk klonk, net als de rest van het programma, idiomatisch genoeg op het orgel van Maarschalkerweerd. Maar luie tongwerken en misplaatste voorzichtigheid - vooral in de samenwerking tussen strijkorkest en soliste - hielden het enigszins vlak. Af en toe barstte het orgel in woede uit. Wat hielp het? De strijkers van het Nederlands Kamerorkest waren onder Philippe Entremont toch al niet opgewasen tegen het orgel.

Na de pauze probeerden ze het Mystère de l'instant te vinden in een etude (1994) voor 24 strijkers, cymbalom en slagwerk van de 82-jarige Fransman Henri Dutilleux. Dat lukte zo goed - met alle flageoletten, portamenti en glissandi van dien - dat het moeilijk werd in de ter afsluiting door het hele orkest gespeelde Tweede symfonie van Camille Saint-Saëns - in 1859 te Leipzig in première gegaan en geheel op Schumann en Mendelssohn geënt - iets anders te horen dan een hartelijke anti-climax.