Huid en huidskleur op foto en schilderij

Kunstschrift nr. 5. Uitg. SDU/ Openbaar kunstbezit. Prijs ƒ 16,95

'Huid' staat er op de omslag van Kunstschrift en huid is wat je ziet, en wat je bijna denkt te voelen ook. De huid tussen de borsten van een vrouw, met de zachte wat donkerder ronding aan de onderkant van de borsten waarvan je alleen de aanzet ziet, de lichtere rozige bovenkant, een moedervlekje - het is allemaal van een kleur die met 'roze' en 'bruinachtig' in het geheel niet wordt weergegeven, en met 'vleeskleur' eigenlijk ook niet want dat doet denken aan onaangenaam bruinige panty's.

Aan die kleur is dan ook een heel stuk gewijd, door Ann-Sophie Lehmann. Hoe schildert men huid zo dat die op huid lijkt wat kleur, structuur en textuur betreft. Lehmann geeft een overzicht van opvattingen over kleuropbouw (aanvankelijk veel groen in de ondergrond, waardoor menig heilige een akelig ongezonde kleur heeft gekregen) en materiaalgebruik (eieren van stadskippen voor jonge mensen, eieren van landkippen voor ouderen, wegens het verschil in kleur van de dooier). Schilders brachten ook verschil in kleur aan in mannen- en vrouwenhuid: mannen werden vaak donkerder afgebeeld. Niet zozeer omdat ze dat waren, maar omdat een liefdespaar een erg amorfe vleesmassa wordt als beide geliefden dezelfde huidskleur toebedeeld krijgen.

Het citaat van Rubens over de 'kleine opgezette vetpolsters' onder de vrouwenhuid die hij zo node mist in de antieke beeldhouwkunst wordt door Lehman opgevat als een hoge waardering van wat we tegenwoordig cellulitis noemen. Wie daarna Rubens 'Drie gratiën' bekijkt ziet inderdaad drie dames met week blubberig vel wat bij elke danspasje moet trillen en wat een moderne beschouwer een rilling van afgrijzen bezorgt.

Ernst van de Wetering wijdt een beschouwing aan de veroudering en restauratie van de verfhuid, Frits Scholten aan die van de 'bronzen opperhuid'. Beiden pleiten voor grote terughoudendheid bij herstel. Van de Wetering beschrijft hoezeer we voorwerpen kennen aan hun veroudering: steen waar een schilfer uit is, een bluts in een trommel, gelig geworden papier, blaasjes in verf. “Wij allen beschikken over zoveel kennis dat we urenlang met elkaar zouden kunnen praten over de huid der dingen.” Je krijgt meteen zin om dat dan ook maar eens uren te gaan doen, heerlijke intieme gesprekken over wat het oog ziet, wat de hand voelt en wat ons zo vertrouwd is dat we het vergeten terwijl we het opmerken.

Om urenlang niet zozeer over te praten maar naar te kijken zijn de foto's bij het stuk van Daria Scagliola, de fotografe die ook de bijna tastbare omslagfoto maakte. Haar stuk heet 'De gevlekte huid' en je ziet er foto's bij van mensen met ouderdomsvlekken, met littekens, van een roodharig meisje dat werkelijk wemelt van de sproeten, of van het mooie lichaam van de danser Michail Barishnikov wiens huid op allerlei plaatsen kleine vlekjes vertoont. De volmaakt gave huid van glamourfoto's schept afstand, vlekjes en oneffenheden zijn karakteristiek en halen iemand dichterbij. Het allernabijst is natuurlijk huid voelen, de zijdepapierachtige gladheid van zonverbande huid, of de stevige zachtheid van kinderhuid, maar direct na voelen komt kijken, zoals deze foto's nog weer eens benadrukken. Iemand dicht op de huid zitten is een veelzeggende uitdrukking.

Scagliola laat ook de foto zien die haar inspireerde tot haar eigen huidfoto. Hij is van Paul Outerbridge en laat de naakte torso van een vrouw zien 'met een doorzichtigheid die het naakt iets bijna pornografisch geeft', vindt ze. Ze had willen weten hoe Outerbridge dat voor elkaar kreeg. Ze lijkt niet erg tevreden over haar eigen resultaat, maar ik, als niet-fotograaf vind het een prachtige foto van wat huid eigenlijk is, hoe veel subtiele verschillen er in een klein gebied al optreden. Wat een wonder en een vreugde toch dat we allemaal huid hebben, om naar te kijken, om aan te raken, en om te lezen, zoals van de Wetering dat doet.