Het hart wil iets anders

Midden in het Kretenzische dorp lag een oud kerkje. Het werd dan ook 'de binnendorpse' genoemd. Het was van binnen beschilderd met oude fresco's, er lag een icoon, en op opvallend veel voorstellingen was de intrede van Maria in de tempel afgebeeld, een verhaal dat in de westerse kerken apocrief is, maar in de oosterse gewoon meedoet in de canon. Een oude vrouw wist te vertellen dat 'de binnendorpse' eigenlijk ooit de kerk 'van de intrede van de moeder Gods' geheten had.

Buiten hetzelfde dorp, een eindje eronder, in een verlaten gehucht, stond te midden van ceders, granaatappelbomen, sinaasappelbomen - midden in het paradijs zou je kunnen zeggen - een andere oude en aan verval onderhevige kerk. Ook deze was van binnen schitterend beschilderd, al waren de schilderingen ook hier vaak erg aangetast of onzichtbaar geworden door jarenlang roet en rook. In de iconostasis ontbraken veel iconen, er hing geen gordijn meer en je keek zo in het heiligste der heiligen. Daar was, zoals wel vaker in Grieks-orthodoxe kerken, het hele koepelvormige plafond beschilderd met het enorme gezicht van Christus.

In sommige kerkjes zijn die gezichten angstaanjagend. De wenkbrauwen hoekig, het oog gevaarlijk lichtend, de mond klaar om een veroordeling uit te spreken. De 'Pandokrator' staat er meestal bij, de Almachtige. Je vlucht voor zijn oog. Deze Christus was anders. Hij was wat ronder uitgevallen, zijn blik was zacht, hij was menselijk als het ware maar had toch het onwerkelijke van de byzantijnse stijl, die nu eenmaal naar het bovenwereldse wil verwijzen en niet naar het aardse.

Buiten scheen de zon, de ceders roken zoet naar naaldboom, er heerste de stilte van de middag. Vrede op aarde. Ik keek. En ik dacht aan professor H.M. Kuitert. En aan zijn boek Jezus: nalatenschap van het christendom.

Noch zo'n begrip als 'de moeder Gods', noch 'Pandokrator' kunnen in Kuiterts Christus-opvatting gehandhaafd worden. Jezus was geen god, hij was een mens, zegt hij. Van zogenaamde 'Jezusvroomheid' moet hij weinig hebben. Hij vraagt zich van alle theologie-over-Jezus, de zogenoemde christologie, af wat ervan over kan blijven, waar een moderne gelovige 'nog iets mee kan'. Dat is een bewonderenswaardige onderneming en Kuitert maakt het makkelijk hem te volgen door zijn heldere stijl, zijn nuchtere aanpak, zijn onverschrokkenheid in het stellen van vragen. Heel veel doet hij af als latere verzinsels, als onnodig ingewikkelde constructies (de tweenaturenleer bijvoorbeeld, dat Jezus zowel goddelijk als menselijk zou zijn, en de Heilige Drie-eenheid). Het kostte voor het overgrote deel van dit boek geen enkele moeite om het met hem eens te zijn. Maar het ergens mee eens kunnen zijn, blijkt maar weer eens, is niet genoeg. Het hart wil iets anders. Meer.

De twee Kretenzische kerkjes gaven uitdrukking aan mythen. De voorstellingen zijn mythisch, de bijbehorende verhalen zijn het ook. In een van de twee was allergoeiigst op drie paneeltjes het verhaal van Adam en Eva afgebeeld: schepping van Adam, Eva met appel en slang, het echtpaar verdreven uit het Paradijs. Een mooi verhaal, want wie is niet, ooit, uit het paradijs verdreven, wie is niet zijn onschuld kwijt, wie verbaast zich nooit over de slechtheid en zwakheid van zichzelf en anderen, wie verlangt niet terug naar een hele wereld. Het doet er niet toe of God werkelijk met Adam heeft gesproken, of de slang verlokkelijk tegen Eva lispelde. Het zijn oerbeelden. Dit soort verhalen geven vorm, en dus zin, aan wat we niet begrijpen.

Het is niet moeilijk om de verhalen over Jezus op dezelfde manier te lezen. Als mythen. Als pogingen tot zingeving. Op die manier, niet als letterlijke waarheden maar als beelden, als wijsheden, als metaforen kan ook bijna iedereen ze zonder moeite lezen. Maar dat is Kuitert niet genoeg. Als er geen historische Jezus meer nodig is, komt het hele christendom 'in de lucht' te hangen vindt hij. Hij schrijft dat er niets tegen is om er mythisch over te praten en te denken, maar de christenheid zelf moest het niet willen. Omdat de 'waarheid' er dan niet meer toe doet, omdat er in het geloof ook een element van kennis besloten ligt, kennis omtrent een historische werkelijkheid. Het christelijk geloof, schrijft Kuitert, kan niet zonder “Jezus van Nazareth, geboren, geleefd, gestorven, begraven en opgestaan (wat dat ook wezen moge).” Voor Kuitert is 'mythologie' in de eerste plaats iets dat niet 'waar' is, in de zin van 'niet echt gebeurd'.

In haar bundel Morgane schreef de dichteres Christine D'Haen in een aantekening bij een gedicht: “Alle mythologieën en alle religies zijn waar (al is de ene beter dan de andere). Het zijn gedachten en beelden: zo stelt de mens zich voor dat de antwoorden op zijn vragen zouden kunnen zijn. Als de beelden verdwijnen, verdwijnen alle rijke zielsinhouden waaruit wij leven.”

Dat is niet het soort 'waarheid' waar Kuitert op uit is. Jezus, als joodse man die de joodse godsdienst aanhing, is voor hem de bodem waarop het christendom staat. En het voornaamste belang van Jezus is dat hij zijn God voor iedereen toegankelijk heeft gemaakt - wie of wat 'zijn God' dan ook precies is.

Dat belang van Jezus, de multiculturele Jezus als het ware, is een belang achteraf. Voor zijn discipelen of voor Paulus kan dat niet zijn voornaamste aantrekkingskracht geweest zijn. Wat kon het ze schelen? Ze waren zelf joods, ze zaten toch al goed, om zo te zeggen. Bovendien maakte Jezus van die multiculturaliteit volgens de evangeliën nu niet bepaald een belangrijk punt. “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels” zegt hij tegen de niet-joodse vrouw die hem om hulp smeekt. Pas als zij volhoudt en aan blijft dringen helpt hij haar toch, onwillig. De verhalen waaruit Jezus bestaat (van de historische Jezus weten we immers vrijwel niets meer dan geboren, geleefd, ter dood gebracht, en zelfs dat niet met zekerheid) danken hun kracht aan de 'goede boodschap' die ze brengen, de boodschap van liefde, vrede, gerechtigheid, de hoop op het aanstaande koninkrijk dat weer opnieuw het paradijs zal zijn, de hele wereld, de vrede op aarde en in alle mensen.

Die verhalen geven dus uitdrukking aan een verlangen, hetzelfde verlangen waaruit het verhaal van Adam en Eva voortgekomen is. Ze zijn niet consequent, ze zijn vaak niet logisch, ze zijn soms regelrecht onbestaanbaar. In zijn boek De zoon van de panter laat Paul Claes een personage zeggen: “De nieuwe Wijsheid vervangt de oude niet, zij herschrijft haar.” (Daar is Kuitert het denk ik helemaal mee eens.) Het christendom, het nieuwe testament, is een herschrijving van het jodendom, van het oude testament. En iedereen weet dat wie andere woorden gebruikt ook een andere wereld schept. We hebben nu eenmaal maar weinig anders dan woorden, hoe armzalig die ook zijn. “Alleen in de eeuwigheid zullen onze woorden samenvallen met zijn waarheid,” zegt hetzelfde personage.

We moeten het doen met onze eigen tekortschietende taal, waaruit toch prachtige mythes geschapen worden, waarheden, die historisch en empirisch niet kunnen maar die toch waar zijn. De mythe staat meer toe dan de rede. De mythe is rijker dan de Jezus die we in rede kunnen overhouden. Er is iets enorm sympathieks en ook terechts aan Kuiterts houding van blijven denken, blijven vragen tot we op iets stuiten waarbij de rede te kort schiet. Daar pas komt het geloof, niet eerder.

Maar ach, die geschilderde paneeltjes met hun eenvoudige eeuwige waarheden, de moeder van God midden in het dorp, die alwetende, harmoniestichtende Pandokrator in dat adembenemend mooie kerkje - “zo stelt de mens zich voor dat de antwoorden op zijn vragen zouden kunnen zijn.”