Het einde van de illusie

VANDAAG IS BIJ DE asielzoekerscentra “een afsprakensysteem” ingegaan, gekoppeld aan “een sobere basisvoorziening” voor wie dat wenst. Dat is een nette term voor wachtlijsten die toegang geven tot legertenten. Het kabinet heeft alsnog besloten deze noodopvang in te richten na kritiek op het aanvankelijke plan om asielzoekers op de wachtlijst zelf te laten uitzoeken hoe zij het hier rooien. De bezwaren van deze volledig vrije variant springen in het oog. Niet alleen vanuit humanitair oogpunt, maar ook vanuit de zeer praktische overweging dat de overheid zo alle greep op de asielzoekers kwijt raakt. Met alle risico's van illegaliteit en criminaliteit.

Hoe heeft het zo ver met Nederland kunnen komen? Een deel van het antwoord dient zeker te worden gezocht in de stroperigheid van de Nederlandse asielprocedure. De doorstroming uit de asielcentra is onvoldoende. En dat is weer voor een groot deel te wijten aan de omstandigheid dat de procedures zich zeer lang kunnen voortslepen. Hoe langer de asielzoeker hier is, des te moeilijker wordt het hem of haar uiteindelijk toch terug te sturen. Ondanks een reeks van beleidsstudies en -aanbevelingen lukt het maar niet om het zwaartepunt wat meer te leggen in de eerste fase van de behandeling van een asielverzoek door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

HET REGEERAKKOORD kondigt een nieuwe poging aan de kwaliteit van de eerste beslissing te verbeteren om zo allerlei beroepsprocedures te voorkomen. In zijn na het kabinetsberaad geopenbaarde noodplan wil staatssecretaris Cohen (Justitie) de IND uitbreiden met maar liefst zeshonderd volledige arbeidsplaatsen. Als het werkelijk om kwaliteitsverbetering gaat, kunnen dat geen uitzendkrachten met een spoedcursus asielrecht zijn, zodat direct effect niet valt te verwachten. De IND schiet trouwens weinig op met zeshonderd man meer van hetzelfde. De vraag is of de werkwijze niet anders dient te worden ingericht.

Het valt te billijken dat een zojuist aangetreden bewindsman niet alle antwoorden pasklaar voorhanden heeft. Maar Cohen is wel erg laconiek. Hij laat nadrukkelijk open of hij er uit komt, zelfs als hem een volle ambtstermijn is vergund. Dat is een opmerkelijke politieke stijlbreuk met zijn veelgeplaagde voorgangster, mevrouw Schmitz, die zich soms wel van toezegging naar toezegging leek te slepen. Haar pijnlijke ervaringen, niet in de laatste plaats met coalitiepartner VVD, vormen ongetwijfeld een deel van de verklaring van de wijze waarop Cohen het einde van de illusies uitstraalt.

Toch is het de vraag hoe ver hem dat brengt. Defaitisme is een gevaarlijke bondgenoot. Maar misschien bereidt Cohen alleen maar het terrein voor om de werkelijk harde vragen van het asielbeleid aan de orde te stellen: een quotumregeling en het intrekken van de vluchtelingenstatus indien de toestand in het land van herkomst terugkeer mogelijk maakt.