Een uitzonderlijk begaafde non

De gisteren heilig verklaarde Edith Sara Stein was in de allereerste plaats joods. Ze verruilde een schitterende wetenschappelijke carrière voor een leven als non.

ROTTERDAM, 12 OKT. In hun zwarte en bruine kloosterdracht met goudgele ster bestegen die nonnen en paters de treinwagon naar Polen. Ondertussen lieten zij de rozenkrans door hun hand glijden en baden zij het Onze Vader. Zo beschreef H. Wielek, pseudoniem van W. Kweksilber, in zijn boek De oorlog die Hitler won (1947), het vertrek uit Westerbork naar Auschwitz van een aantal katholiek geworden joden.

Onder hen was op 7 augustus 1942 ook de begaafde filosofe dr. Edith Stein. Een dag later kwam ze in Auschwitz-Birkenau aan. Nog een dag later werd ze vergast. Gisteren is zij door paus Johannes Paulus II heilig verklaard. 'Dochter van Israel' en 'dochter van de kerk' werd ze bij haar uitzonderlijke heiligverklaring genoemd.

Edith Sara Stein, hoe zij als heilige ook mag gaan heten, was in de allereerste plaats joods. Haar joods zijn mag niet worden verdoezeld door het feit dat ze later christelijk werd. Ze was een dochter uit een Duits-Joods gezin met elf kinderen. Afkomstig uit Breslau waar zij op 12 oktober 1891, op Grote Verzoendag, was geboren. Alle kinderen Stein kregen een orthodoxe opvoeding. Edith is uitzonderlijk begaafd. Als ze het gymnasium afheeft, gaat ze studeren. Eerst in Breslau, later in Göttingen. Eerst geschiedenis en filologie, later experimentele psychologie en wijsbegeerte. Aan de universiteit wordt Edith actief in de sociale en politieke strijd, onder meer voor vrouwenrechten. Na de Eerste Wereldoorlog ondersteunt ze de ideologie van de republiek van Weimar. Ze is atheïste, maar blijft - om haar niet te kwetsen - haar moeder vergezellen naar de synagoge. In diezelfde tijd ontdekt ze als door een hemelse openbaring de Duits-joodse filosoof Edmund Husserl (1859-1938), de grondlegger van de wijsgerige fenomenologie. Ze wordt diens assistente en gaat een schitterende wetenschappelijke toekomst tegemoet. Totdat zij in 1921 in contact komt met lectuur over de heilige Theresa van Avila (1515-1582), een Spaanse non en mystica van joodse origine die deel uitmaakte van de Carmelieter Orde. Een jaar gaat ze over naar het rooms-katholieke geloof. Voor Edith Stein, die ook nog met haar moeder mee naar de synagoge bleef gaan, waren deze overstap en haar doop een 'terugkeer tot God'. Alsof de God van joden en christenen niet altijd een en dezelfde is geweest.

Edith Stein meent door en in het katholieke geloof de Waarheid te hebben gevonden en wil zich daar met elke vezel aan geven. In 1933 wordt ze bovendien karmelietes. Ondertussen gaat ze door met haar wetenschappelijk werk, maar in 1938 wordt in het politiek verziekte Duitsland haar de grond zo heet onder de voeten dat ze moet vluchten. Met haar zuster Rosa gaat ze naar Nederland waar ze haar intrek neemt in een Carmelieter klooster in het Limburgse Echt. Meer dan drie jaar kan ze in Echt blijven wonen. In deze periode schrijft ze enkele belangrijke studies. Haar werk Wetenschap van het kruis over de de zestiende-eeuwse mysticus Jan van het Kruis blijft door de deportatie onvoltooid.

Edith Stein had al eerder gezien wat een kankergezwel het nationaal-socialisme voor Duitsland was. Ze neemt deel aan de anti-nationaal socialistische strijd, ze vraagt paus Pius XI om een encycliek tegen de Duitse jodenvervolging, maar ze krijgt niet meer dan de pauselijke zegen. Met gevolg dat een nicht van Edith die destijds naar Palestina had weten te vluchten, vele jaren later opmerkt dat de kerk in plaats van haar nu zalig of heilig te verklaren, er beter aan zou hebben gedaan haar toen te redden.