Clark M. Clifford(1906-1998); Invloedrijk advocaat

WASHINGTON, 12 OKT. De legendarische Amerikaanse advocaat en politieke adviseur Clark Clifford, die zaterdag op 91-jarige leeftijd is overleden, was een vertrouweling van vier Democratische presidenten. Meer dan veertig jaar lang was hij in politiek Washington een van invloedrijkste spelers in de coulissen van de macht. Maar zijn gouden reputatie raakte in zijn laatste levensjaren besmeurd door zijn rol in het grootste financiële schandaal in de geschiedenis, de ondergang van de Bank of Credit and Commerce International (BCCI).

Juist de afgelopen weken was Clifford af en toe weer op de televisie. In de 24-delige documentaire van CNN over de Koude Oorlog, Cold War, die ook door de BBC wordt vertoond, vertelt Clifford onder meer hoe de regering van president Harry Truman kort na de Tweede Wereldoorlog haar positie bepaalde ten opzichte van de Sovjet-Unie. Als adviseur van Truman was Clifford niet alleen een ooggetuige van de eerste jaren van de Koude Oorlog, hij speelde ook een belangrijke rol bij het bepalen van de Amerikaanse positie. Hij overtuigde Truman bijvoorbeeld om de containment-doctrine te accepteren, de door de diplomaat George Kennan bepleite gedachte dat de communistische Sovjet-Unie overal ter wereld ingetoomd moest worden.

Clark McAdams Clifford (geboren in 1906) groeide op in St. Louis, in Missouri, waar hij ook studeerde en zijn loopbaan als advocaat begon. Hoewel hij in de Tweede Wereldoorlog te oud was om opgeroepen te worden voor militaire dienst, meldde hij zich in 1943 toch aan. Vanuit de marine werd hij in 1945 door een oude cliënt naar het Witte Huis gehaald, om daar tijdelijk in te vallen als adviseur marinezaken voor Truman. Al snel verwierf hij zich een vaste plaats en de waardering van de president, omdat hij als een van de weinigen bereid was hem tegen te spreken.

Clifford nam deel aan het ontwerp van het Marshall-plan voor de economische wederopbouw van Europa na de oorlog. Hij was ook betrokken bij de oprichting van de NAVO. Hij speelde poker met Churchill in de trein op weg naar Fulton, Missouri, waar de Britse staatsman zijn historische toespraak zou houden over het “ijzeren gordijn” dat in Europa was neergedaald. Tegen de zin van minister van Buitenlandse Zaken George C. Marshall hielp Clifford om Truman te overtuigen de staat Israel te erkennen. En hij was in 1948 de drijvende kracht achter de fameuze verkiezingscampagne die Truman tegen alle verwachtingen een herverkiezing bezorgde tegen de Republikein Thomas Dewey.

In Washington heeft de hoffelijke en elegante Clifford meer tijd doorgebracht als advocaat dan in overheidsdienst, maar desondanks was hij in Washington insider 'par excellence'. Nadat hij in 1950 het Witte Huis had verlaten om goed geld te gaan verdienen, telde hij onder zijn cliënten bedrijven als General Electric, AT&T, ITT, DuPont en Standard Oil. Maar ook was hij particulier advocaat van John F. Kennedy, nog voor die president was. Later, toen Kennedy tot president was gekozen, belastte deze Clifford met de leiding van het team dat de machtsoverdracht moest voorbereiden.

Ook Kennedy's opvolger Lyndon B. Johnson deed een beroep op Clifford: hij benoemde hem tot voorzitter van de adviesraad voor buitenlandse inlichtingendiensten en in het voorjaar van 1968 tot minister van Defensie. In die functie keerde hij zich tegen Johnsons escalatie van de oorlog in Vietnam, wat een verwijdering tussen de twee mannen veroorzaakte. Hij adviseerde de president om vredesbesprekingen te beginnen, die wel van de grond kwamen maar pas zeven jaar later tot resultaat zouden leiden.

Zelfs Jimmy Carter, die uiterst wantrouwig stond tegenover het Washingtonse establishment, wendde zich tot Clifford. Toen Carters begrotingsdirecteur Bert Lance in een financieel schandaal verzeild raakte, moest de ervaren advocaat en politieke regelaar Clifford hem daaruit redden.

Dezelfde Lance introduceerde de gerespecteerde Clifford eind jaren zeventig bij een groep Arabische investeerders, die een Amerikaanse bank wilden overnemen. Clifford, die de overname samen met een jongere partner regelde, verzekerde de Federal Reserve dat de Arabische geldschieters van de bank geen stromannen van de BCCI waren en werd beloond met het voorzitterschap van de raad van commissarissen van de bank.

Begin jaren negentig, toen de BCCI ten onder ging, kwam uit dat die corrupte bank toch achter de Amerikaanse overname zat. Clifford had nu niet alleen zijn geloofwaardigheid ernstig gecompromitteerd, hij dreigde ook strafrechtelijk vervolgd te worden voor misleiding. Om gezondheidsredenen is de zaak geseponeerd. Clifford heeft altijd volgehouden dat hij onschuldig was. Maar omdat hij zo door de wol geverfd was, konden veel mensen zich moeilijk voorstellen dat hij zich door de stromannen van de BCCI een rad voor ogen had laten draaien.