Aletta

“Wat vind je ervan?” Vol verwachting kijkt hij me aan. Zijn hele cel is bezaaid met baby's. Ze hangen in allerhande standen, afmetingen en kleuren en soms zit de bolle moederbuik er nog omheen. Op de grootste tekening heeft een broos kinderhoofdje de buik al half verlaten. Vrolijk, de ogen wijd open, kijkt het in het rond. 'Aletta, 4-1-1998' staat er in hanenpoten boven. Dan zou ze ongeveer zijn geboren. Hij wijst naar de datum.

In horten en stoten komt het verhaal eruit. Een paar maanden geleden heeft hij in blinde woede zijn kind uit de buik van zijn vrouw geschopt. Ze deed het met een ander. Sindsdien is het helemaal mis met hem. Het hoofdje blijft maar terugkomen en soms is het zo groot en onontkoombar dat hij de hele cel in elkaar slaat. Sinds hij vastzit, is hij al vier keer voor observatie naar de Pieter Baan gestuurd. Maar daar weten ze ook niet wat ze met hem aan moeten.

“En het helpt allemaal geen flikker, haar hoofdje blijft maar komen.” Ontredderd kijkt hij me aan. “Hé, leipo, laat die man met rust”, sist een voorbijschietende Turk. Het is recreatie en druk op de gang. Hij hoort het niet en ratelt gewoon door. “Kijk...” Hij wil me mee zijn cel intronen. Maar daar ga ik niet op in. Dat is verboden.

“Ja ja, dat is waar ook.” Mompelend loopt hij zijn cel in, rommelt wat en komt terug met een poster van een baby die om Ogilvie-voeding vraagt. Stralend kijkt ze ons aan. Het nieuwe leven knalt er aan alle kanten uit: van de twinkelende ogen tot de parmantig rechtop staande voetjes. Behoedzaam kantelt hij haar om, staart haar als ze op haar kop staat een tijdlang aan en draait haar weer langzaam terug. “Zo had ze na een paar maanden ook kunnen zijn.” Er biggelen een paar tranen over zijn wangen.

Geluidloos zet hij haar weer terug.

“Moet ik over een paar dagen weer terug. En alles heb ik ze al ik weet niet hoe vaak verteld. Over mijn vrouw, over hem, over mijn kind.” Hij slaat getergd met zijn vuist op tafel. “Mijn vrouw, hem, mijn kind... mijn vrouw, hem...” Mummelend loopt hij naar zijn lamellen raampje, omklemt de tralies en begint wat voor zich uit te schelden. “Klere Pieter Baan Centrum, kankerpsychiaters, leipe psycho's, smerige teringzooi...”

“Hoe weet je dat het een meisje is?” 'Zou zijn geweest?' had ik willen zeggen. Maar op de een of andere manier krijg ik die woorden niet over mijn lippen.

“Dat weet ik.” Hij draait zich om en slaat met zijn hand op zijn borst. “Dat is niet uit te leggen, heb ik ze ook al een miljoen keer gezegd.” Meewarig schudt hij zijn hoofd en wendt zich weer tot zijn raampje.

'Einde recreatie.' Voorzichtig doe ik de deur dicht. Een paar dagen later wordt hij afgevoerd. Langzaam schuifelt hij voorbij. Hij mag geen tekening meenemen. Een half uur later na de reiniging van zijn cel ligt zijn dochter in ik weet niet hoeveel snippers op de vloer.