Sarin?; INTERNET ONTHULT 'GEHEIM' ONDERZOEK VAN ISRAELISCH INSTITUUT

Wat voert het Israel Institute for Biological Research in zijn schild? Een zoektocht op Internet wijst op verrassend onderzoek aan kanker, transsexualiteit èn zenuwgassen.

VORIGE WEEK werd bekend dat de El Al-Boeing die in 1992 op de Bijlmer stortte 190 liter dimethyl methylfosfonaat (DMMP) aan boord had. DMMP is uitgangsmateriaal voor productie van het zenuwgas Sarin en 190 liter DMMP is genoeg voor zo'n 270 kilo Sarin.

Afzender van het materiaal was Solkatronic in Morrisville, geadresseerde was het Israel Istitute for Biological Research (IIBR) in Ness Ziona, niet ver van Tel Aviv. Algemeen wordt aangenomen dat het IIBR onderzoek doet aan de effecten van chemische en biologische wapens. Onderzoekers van TNO's Prins Maurits Laboratorium kennen het instituut van eigen bezoeken en dat er dimethyl methylfosfonaat wordt gebruikt verbaasde ze allerminst. Wel dat er in één keer 240 kilo DMMP werd afgenomen. Vanaf volgend jaar is de levering van zoveel Sarin-grondstof aan Israel, dat de conventie tegen chemische wapens niet ratificeerde, niet meer toegestaan. In 1992 was er alleen een Amerikaanse vergunning voor nodig en die had Solkatronic.

Omdat er ook andere grondstoffen voor de bereiding van Sarin aan boord van de Boeing waren (al waren hoeveelheid en bestemming onbekend) was de indruk dat het IIBR in 1992 op het punt stond zo'n 250 kilo Sarin te produceren. Dat wees in de richting van ongekend grote experimenten. Maar Solkatronic heeft later verklaard dat het IIBR het testen van gasmaskers en filters als eindgebruik van het DMMP had opgegeven en de Israelische overheid heeft dat herhaald. Het is volgens TNO-onderzoeker dr.ir. J. Medema “geen onaannemelijke verklaring”. Onderzoek heeft aangetoond dat het weinig gevaarlijke DMMP qua adsorbtie aan actieve kool ruwweg hetzelfde gedrag heeft als Sarin en het wordt gasmaskerfabrikanten toegestaan hun maskers te beproeven op het tegenhouden van DMMP in plaats van Sarin. “Maar bij TNO testen we toch met Sarin”, zegt Medema, “en als we erg grote filterinstallaties moeten testen dan bouwen we een betrouwbaar schaalmodel dat we vervolgens ook met Sarin testen. Ik kan me eigenlijk niet goed voorstellen dat een zo geavanceerd instituut als het IIBR het anders doet.”

Daar valt aan toe te voegen dat het gebruik van DMMP als 'nerve gas simulant' tot voor kort maar sporadisch werd genoemd en dat zelfs Solkatronic opkeek van de toepassing. Eigenaardig is dat Solkatronic volgens eigen opgave kort na de Bijlmerramp opnieuw een partij DMMP aan Israel leverde, nu aan Shalon Chemical Industries, de enige gasmaskerfabriek van het land. Als die de kwaliteitscontrole zelf uitvoert wordt de IIBR-afname nog minder begrijpelijk.

De conclusie is dat de DMMP-vondst weliswaar geen enkel bewijs, zelfs geen aanwijzing levert voor het bestaan van een offensief zenuwgasprogramma, maar dat hij toch vragen laat bestaan. De VS gaan er sinds 1991 vanuit dat Israel chemische wapens kan produceren en het Center for Strategic & International Studies (CSIS) beschrijft Israel als een 'key-proliferator' die uitgebreide veldproeven met de verdediging tegen chemische wapens deed. Details worden niet gegeven. Jane's Intelligence Review (1 maart 1998) wijst, het Israelische Jaffee Centre citerend, het IIBR aan als het centrum voor de ontwikkeling van chemische en biologische wapens en het weekblad Foreign Report (ook van Jane's), dat zich overigens heel slecht geïnformeerd toont, meldde in augustus dat er zelfs al vier doden waren gevallen. Dat is veel (als het waar is), maar au fond niet al te opzienbarend voor onderzoek aan zulke levensgevaarlijke agentia als zenuwgassen of Anthrax-bacillen. Ook in vergelijkbare laboratoria elders op de wereld hebben zich ongelukken voorgedaan.

Wat min of meer vast staat is dat het IIBR in 1953 werd opgericht en nu zo'n 320 medewerkers in dienst heeft. Het instituut heeft een nogal grimmige bewaking, maar dat is geen zeldzaamheid voor Israel. Buitenlandse onderzoekers krijgen er makkelijk toegang en hebben er normale bewegingsvrijheid. Toch is er ook veel geheimzinnigheid: de woordvoering loopt via het ministerie van defensie en - aardig detail - het instituut ontbreekt op luchtfoto's van Ness Ziona.

De sterkste aanwijzing dat een deel van het werk op het instituut uiterst geheim is komt nog van de hardvochtige behandeling die de arts/epidemioloog dr. M.A. Klingberg ondergaat. Marcus Klingberg werd in 1953 adjunct directeur en is in 1983 tijdens een privé-verblijf in Genève ontvoerd en na een geheim proces in Israel tot langdurige gevangenisstraf veroordeeld omdat hij voor de Sovjet-Unie zou hebben gespionneerd. Pas dit jaar, hij is inmiddels 80, is zijn straf omgezet in huisarrest, maar nog steeds krijgt hij geen gelegenheid vrijuit te spreken. Klingberg zou hebben gewerkt aan biologische wapens, maar uit zijn wetenschappelijke activiteiten zoals die hun weerslag vonden in boeken en artikelen valt dit niet af te leiden. De oudste publicatie die de afgelopen week te vinden was is van 1968, de meest recente (waarin hij optrad als redacteur) van 1984. Afgezien van een enkel symposiumverslag gaan de studies over zwangerschap, foetale ontwikkeling en epidemiologie.

FANTASIEËN

Het lijkt erop dat de strenge geheimhouding onevenredig zwaar in het nadeel van het IIBR is gaan werken en dat feiten en fantasieën nu door elkaar lopen. Dat riep de vraag op of het niet mogelijk was een profiel van het instituut te schetsen op grond van de publicaties van de onderzoekers die tegenwoordig vaak op het Internet zijn te vinden.

De 'full-text' zoekmachines zoals AltaVista en - vooral - HotBot wisten de begeerde publicaties zonder moeite te vinden. Uitgangspunt was de naam Shafferman, de enige naam die het Internet, via de eigen sites van het IIBR, spontaan aanbood. De biochemicus Avigdor Shafferman is de huidige directeur van het IIBR. Omdat Shafferman veel publiceert en daarbij steeds andere co-auteurs heeft, die op hun beurt wisselende partners hebben, was binnen enige uren de kring van onderzoekers rond Shafferman in kaart gebracht en verscheen een aardig beeld van de interesses van het instituut.

De IIBR-onderzoekers blijken geenszins obscure wetenschappers: ze bezoeken congressen dat het een aard heeft en laten zich daar in ongedwongen pose fotograferen. Bekijk eens de fotoreportage van het congres 'Cholinesterase 98' dat in maart in La Jolla werd gehouden en stel vast: daar staat een Nederlandse TNO-er te praten met IIBR-onderzoeker Gabi Amitai. Samen namen ze deel aan sessie 4: 'Nerve agents and antidotes' waarop ook de IIBR-onderzoekers Baruch Velan en Yacov Ashani het woord voerden.

In de hoek staan de vermaarde cholinesterase-onderzoekers prof.dr. Israel Silman en prof.dr. Joel Sussman, beide verbonden aan het al even vermaarde Weizmann Institute of Science in Rehovot (bij Tel Aviv). Ze spreken met Clarence Broomfield, verbonden aan het US Army Medical Research Institute of Chemical Defence in Edgewood. 'Edgewood', dat ook een meer technische afdeling heeft, is hèt Amerikaanse militaire centrum voor onderzoek aan chemische en biologische oorlogsvoering (CBW). Op de deelnemerslijst vallen ook de namen Detrick en Aberdeen op. Fort Detrick en Aberdeen Proving Ground zijn eveneens bekende CBW-centra.

De medewerkers van het IIBR blijken gewone mensen van vlees en bloed die niet onder een Ku Klux Klan-kap lopen. Via Internet heeft men snel meer dan dertig onderzoekers gevonden en het merendeel van hen blijkt zich bezig te houden met acetylcholinesterase. Dat is het enzym dat selectief wordt geblokkeerd door zenuwgassen. Ook instituten als Edgewood, Porton Down en TNO-PML doen veel onderzoek aan cholinesterase, maar dat in Ness Ziona lijkt, althans voor een deel, fundamenteler van aard en breidt zich ook uit tot de ziekte van Alzheimer. Directeur Avigdor Shafferman staat bovendien als auteur genoemd bij artikelen over kanker, het aidsvirus en virale en bacteriële infecties, het IIBR blijkt wonderlijk genoeg verder nog wat onderzoek te doen aan zoiets als transsexualiteit en de bestrijding van wormen bij schapen, maar de overheersende indruk is toch dat het instituut zich - inderdaad - voor het grootste deel concentreert op alle aspecten van CBW. Het onderzoek aan het gedrag van aerosolen is daarvan een klassiek bestanddeel, ook TNO deed voorheen veel aerosol-onderzoek. Het overzicht van de jaarlijkse OHOLO-congressen die het IIBR sinds 1956 organiseert bevestigt het beeld. Opvallend is de samenwerking en uitwisseling met het Weizmann instituut, met 'Edgewood' en met het Prins Maurits Laboratorium van TNO. TNO's zenuwgasonderzoekers H.P. Benschop en L.P.A. de Jong hebben de afgelopen jaren geregeld samen met Shafferman gepubliceerd.

Over de aard van het IIBR-onderzoek hoeft dus geen twijfel te bestaan, ook al ontbreekt in de artikelen (althans in de 'abstracts' die op het Internet staan) vrijwel elke directe verwijzing naar chemische en biologische wapens. Incidenteel valt het woord zwavel-mosterdgas, in zeldzame gevallen komt men het woord Soman (een zenuwgas als Sarin) of liever nog somanyl-acetylcholinesterase tegen, maar meestal worden de zenuwgassen verstopt achter de aanduiding organofosfaten of nog algemener: acetylcholinesterase-remmers. Een instituut als Edgewood, dat alle publicaties sinds 1981 op het Internet zette, doet wat dat betreft veel minder geheimzinnig.

Het Internet verschaft dus onverwacht een kijkje in de keuken van het 'ultra-geheime' IIBR en het staat wel vast dat professionele databanken nog veel meer informatie kunnen geven. Uit die hoek komt, bij voorbeeld, nog het gegeven dat het IIBR 'explosives detection kits' ontwikkelde en in 1991 betrokken was bij decontaminatie-proeven met tanks die met mosterdgas waren besproeid. Of op enig moment een enigszins representatief beeld van alle inspanningen van het IIBR ontstaat is twijfelachtig. Een - zuiver hypothetisch - offensief zenuwgasprogramma beweegt zich natuurlijk voornamelijk op het terrein van het toepaste onderzoek dat niet makkelijk spin-off oplevert waarover te publiceren valt, nog afgezien van de geheimhouding. De constatering dat uit maar twee artikelen op Internet valt af te leiden dat het bedrijf FMC Corporation destijds de fabrikant was van het Amerikaanse zenuwgas VX stemt tot grote voorzichtigheid.

Anderzijds: de drang tot publiceren is intens en een onvoorzichtigheid is gauw begaan. Nederlandse nucleaire dekundigen zagen al jaren aan het soort artikelen dat de landen publiceerden dat India werkte aan de ontwikkeling van een waterstofbom en dat Abdul Quadeer Khan in Pakistan zijn ultracentrifuges verbeterde. Toen de Egyptenaar Abdelfattah Badawi in mei van dit jaar op het '6th CBW Protection Symposium' in Stockholm een lezing hield over 'de vernietiging van gefosforyleerde chemische agentia' was dat misschien wel de sterkste aanwijzing tot dusver dat Egypte op grote schaal zenuwgas produceerde. De begaafde Internetter ontdekt misschien nog dit weekend het ultieme geheim van het IIBR.