Nooit alleen

Dus op woensdagmorgen reden de boeren met hun kaasbrikken naar de stad. Cees Molenaar en Maarten van de Geer zagen ze gaan als ze naar school liepen. Rijen boeren, de een nog trotser dan de ander. Wie het mooiste paard had, wie de snelste brik.

Ze waren even oud, in '46 allebei negen. Hun vaders waren zelf van die boeren. Die zaten allebei op de Houtdijk, Molenaar halverwege, Van de Geer aan het eind. De Houtdijk, moet je je voorstellen, werd toen nog niet gesneden door de provinciale weg. De polder was een stuk ruimer, een stuk leger.

Cees: “We gingen in Harmelen naar school en in Woerden naar de kerk, en als we op het gemeentehuis moesten zijn, gingen we naar Kamerik.”

Er waren uitzonderingen - zoetboeren werden ze genoemd, omdat ze zoete melk leverden; ze hadden weinig koeien en waren niet in tel. Maar verder werd alle melk in deze streek verkaasd.

Cees: “Ik denk dat we vijfentwintig koeien hadden, en die gingen ze met z'n vieren melken: zijn vader, mijn moeder, de knecht en de meid.”

Maarten: “Een boer was nooit alleen.”

Cees: “Om vier uur uit bed, dan hadden ze om halfzeven gemolken en dan werd de hele opbrengst in de kaastob gegoten,”

Maarten: “De melk moest afkoelen voordat er stremsel en zuursel bij werd gedaan.”

Cees: “Ondertussen ging mijn vader de varkens voeren.”

Maarten: “Iedereen had wel een paar zeugen met een toom biggen.”

Cees: “Er zat veel vrouwenwerk in de kaas.”

Maarten: “Behalve het sjouwen natuurlijk. Een kaasvat met kaas, dan praat je al gauw over twintig kilo. Je had verschillende maten...zestien, zeventien, achttien. De grootste kazen stonden het meest in aanzien. Hoe groter het bedrijf, hoe groter de kazen. Maar aan de kleinste verdiende je het meest - smokkelkaasjes, die gingen zwart van de hand.”

Cees: “Toen had je dat plastificeren niet, de kazen schimmelden. Ze moesten dagelijks worden gekeerd en werden wekelijks afgeborsteld en opgepoetst. Goudgeel gingen ze naar de markt.”

Maarten: “Als de koeien op stal stonden, werd er nog wat hooikaas gemaakt. Maar dan werd de meeste melk toch in bussen aan de weg gezet. Hoe meer bussen, hoe beter het oogde. En dan kwamen de buren langs en die schepten even met hun klompen tegen die bussen om te horen of ze wel helemaal vol zaten.”

Natuurlijk, kaas was een zomerproduct. Vier kazen per dag, schat Cees, pakweg zeshonderd in een seizoen. Daarmee nam een (grote!) boerderij deel aan de economie. Kaas was de markt, kaas was geld. Voor geld kon je werktuigen aanschaffen, of kleren. Voor geld kon je een metselaar laten komen, of de rietdekker. Verder had je eigenlijk niks van een ander nodig. Bonen in de week, andijvie in het zout, appels in de appelmoes. Van de varkens werden ham en spek gerookt bij de klompenmaker. Kon die mooi zijn spaanders voor gebruiken.

Maarten: “Veel werd met gesloten beurs gedaan. Je verpachtte een stukje viswater of een strookje grasland voor een maaltje paling of een dagje slootschieten.”

Cees: “De boeren maakten ruzie om de bagger.”

Maarten: “Omdat 't prima mest was. Nou moeten ze gedwóngen worden om de sloten op diepte te houden.”

Cees: “Hier, onder het winterhuis, hebben we de pekelbakken nog. In de voorkamer staat nog een houten kaasvat met planten. Op zolder moeten nog een paar weikuipen en een botervloot liggen. Het onderstel van de kaaspers heeft jarenlang dienst gedaan als standaard voor de olietank en nu staan er konijnenhokken op. Dat is alles wat ervan over is.”

Maarten: “Cees, z'n vader was aan de Houtdijk de eerste die een trekker kocht.”

Cees: “Neenee, Spruit was eerder. Die had een trekker en als het koud was, hingen ze de koets erachter en dan reden ze zo naar de kerk. Wij kregen er in '48, een Ford Deaborn. Die moest je op benzine starten en als-ie warm was kon je overschakelen op petrolie. Daar hebben we twintig jaar op gereden. Truus, het paard, werd meteen de deur uitgedaan en dat vond ik niks erg; ik ben geen paardenman.”

Maarten: “Onze eerste trekker was van '56, veertien pk. Wij hadden altijd twee paarden. Eggen, baggeren, mestverspreiden, grasmaaien, alles deed je met de paarden. En in het begin had je de boerenwagen nog, met houten wielen en een dissel. Later kreeg je de kar met luchtbanden en een lamoen.”

Wat de polder betreft: de percelen van de Houtdijk liepen door tot de kaai, dat is wat nu bekend staat als de Hollandse Kade, wandel-, fiets- en ruiterroute. Daar kwam toen nooit iemand. Of ja, in de winter, om hout te halen; er werd bijna uitsluitend hout gestookt. Maar verder? Nooit. Niemand, Wildernis. Zelfs geen spelende kinderen.

Maarten: “Zoveel tijd hadden wij niet om te spelen. Als je tien, elf was kreeg je een ouwe koe met makkelijke lange spenen en dan kon je leren melken.”

Cees: “Wij speelden op de werf. Of in de hooiberg.”

Maarten: “Nou ja. Je ging eens vissen met een wilgentak. Glashelder water in de sloten. Overal kon je de bodem zien.”

Cees: “En de koeien werden niet verkampt zoals tegenwoordig. Mijn vader maakte twee groepjes en die liepen de hele zomer in één en hetzelfde weiland, die liepen altijd oud gras te vreten. Geen krachtvoer, geen granen, geen wonder dat ze minder melk gaven.”

Maarten: “Dus de polder was lang zo groen niet.”

Cees: “In het voorjaar had je de kleur van witte en rode klaver, dan een waas van pinksterbloemen, dan het geel van boterbloemen.”

Maarten: “En het grijs van stekels. Stekels maaien is stekels zaaien, zeiden de mensen, en stekels trekken is stekels rekken. Die hebben we er pas onder gekregen met spuitmiddelen.”

Cees: “Vogels, daar lette je eigenlijk niet op, daar keek niemand naar.”

Maarten: “Je kwam ze ook niet zo tegen. Voor juni werd er nooit gemaaid en dan waren de vogels al uitgebroed. De hooibouw begon veel later dan nu, en je had er ook veel meer werk aan. Je deed wel een week over het binnenrijden van het hooi. De berg werd langzaam opgebouwd, en dat was maar beter ook. Anders had je al gauw mensen op het erf die hun neus ophaalden en zeiden: jouw berg is hard aan het broeien, vader. Dan kwam er een mannetje met een peilijzer van een meter of vier om de temperatuur op te nemen. Zat-die boven de tachtig, vijfentachtig graden, dan moest er een hoek worden afgestoken. Soms moest de hele berg eruit. Zwaar werk hoor. Maar je had altijd hulp. Als je maar zorgde dat er bier was.”