Liefdewerk met oud papier; TYPOGRAPHIA BATAVA BRENGT 16DE-EEUWS NEDERLANDSE BOEK IN KAART

Dertig jaar werkte free lance bibliograaf Paul Valkema Blouw (82) in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek aan zijn Typographia Batava: het repertorium van alle in Nederland gedrukte werken uit de periode 1541-1600. Grotendeels onbezoldigd.

DIEP WEGGESCHOLEN in de universiteitsbibliotheek van Amsterdam, met uitzicht op een terras van kiezelstenen en een grauwe muur, bevindt zich de werkkamer van Paul Valkema Blouw, de eminence grise van de Nederlandse bibliografie. Het is een onooglijke ruimte die ruikt naar oude boeken en waarin behalve een rommelig bureau een handbibliotheek, een stokoude computer, een dito schrijfmachine, kaartenbakken met titelbeschrijvingen en twee archiefkasten met hangmappen staan.

Om die hangmappen draait het. Erin bevindt zich het 'Apparaat Valkema Blouw': duizenden foto's en fotokopieën van zestiende-eeuws typografisch materiaal, zoals versierde initialen, lettertypen, houtsneden en vignetten. Het is een collectie van onschatbare waarde, vergaard in de loop van tientallen jaren, aan de hand waarvan Valkema Blouw menig anoniem uitgegeven boek alsnog aan een drukker of uitgever wist toe te wijzen. Tegelijk is het apparaat er mede de oorzaak van dat de uitgave van Valkema Blouws levenswerk, Typographia Batava - Repertorium van boeken gedrukt in Nederland tussen 1541 en 1600, zo lang op zich heeft laten wachten.

“De zestiende eeuw is notoir lastig voor de boekonderzoeker”, zegt Paul Valkema Blouw in het hotel aan de Keizergracht waar hij, 82 jaar en slecht ter been, sinds enige tijd zijn intrek heeft genomen. “Het waren roerige tijden, je had de Reformatie met zijn godsdiensttwisten en er speelde een politieke en gewapende strijd tegen het Spaanse gezag. De autoriteiten in Brussel waren zeer alert op wat er aan subversief drukwerk verscheen. Er zijn in die jaren heel wat ketterse boeken op last van de katholieke Inquisitie verbrand en de auteurs en drukkers van die boeken deden er daarom wijs aan hun namen weg te laten. Wat ik geprobeerd heb is van al die anonieme uitgaven, door op hun typografische kenmerken te letten, alsnog de drukker te achterhalen. Zo kon ik Zuid-Nederlandse boeken die in steden als Leuven, Antwerpen of Brussel gedrukt waren scheiden van de Noord-Nederlandse.”

Met de Typographia Batava is in 1961 begonnen. Een overzicht van de boeken van voor 1500 - de incunabelen of wiegedrukken - en die uit de periode 1501-1540 verschenen in 1874 (de 'Campbell') respectievelijk 1923 (de 'Nijhoff-Kronenberg'). Het project, dat ressorteerde onder het Frederik Mullerfonds, was aangekaart door mr. Herman de la Fontaine Verwey, vermaard hoofd van de Amsterdamse universiteitsbibliotheek en hoogleraar in de Wetenschap van boek en bibliografie. Het was het Nederlandse antwoord op de toen juist begonnen werkzaamheden aan de Belgica Typographica, in 1994 afgerond met de publicatie van het vierde en laatste deel. Met steun van ZWO, de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (het tegenwoordige NWO), ging het antiquaren-echtpaar Bob en Emmy de Graaf aan de slag. Toen hun Nieuwkoopse wetenschappelijke uitgeverij annex antiquariaat expandeerde, zagen zij zich genoodzaakt de opdracht terug te geven en werd in 1968 Paul Valkema Blouw aangetrokken. Er resteerde nog ZWO-geld voor drie jaar, door alle partijen voldoende bevonden om het project te voltooien.

Paul Valkema Blouw is van huis uit antiquaar. Na het gymnasium begon hij in 1934 bij het Utrechtse veilinghuis en antiquariaat J.L. Beijers - na de oorlog was hij er zelfs een paar jaar directeur. In 1947 vertrok hij naar Amsterdam om bij Van Rechteren Altena colleges kunstgeschiedenis te gaan lopen. “Op het gebied van het oude boek was ik een autodidact”, zegt hij. “Ik zag het als een bezwaar dat ik geen wetenschappelijke opleiding had. Op de scholen van vroeger had je te luisteren naar wat de meester vertelde, zelf onderzoek doen was er niet bij - nu is dat gelukkig anders.”

ECHTE SPECIALIST

Tegelijk trad Valkema Blouw in dienst bij het 'Internationaal Antiquariaat' van Menno Hertzberger, waar hij veel zestiende- en zeventiende-eeuws materiaal onder ogen kreeg en zich tot echte specialist ontwikkelde. In 1959 begon hij voor zichzelf, Hertzberger nog incidenteel van advies dienend.

Al spoedig na zijn aantreden bij de Typographia Batava ontpopte Valkema Blouw zich als een ontembaar speurder. In tegenstelling tot de Belgica Typographica, waar men uitging van wat de catalogi van grote bibliotheken en allerhande deelbibliografieën te bieden hadden, zocht hij ook in openbare bibliotheken en archieven naar gedrukte boeken, plano-drukken en die prenten en kaarten waar zetwerk aan te pas was gekomen. Valkema Blouw: “Was dat achterwege gebleven, dan had ik veel gemist, vooral overheidspublicaties. In de provincie bestaat bij archieven nauwelijks aandacht voor dit soort drukwerk. Ook in het buitenland ben ik gaan zoeken, veel Nederlandse boeken zijn uit angst voor de Spaanse Inquisitie over de grens in Emden en Wesel gedrukt, of in Londen. Belangrijke collecties aan Nederlands materiaal bevinden zich in Gent, of in Scandinavië of Amerika. In de Bibliothèque Nationale in Parijs heb ik vele bakken met anoniem drukwerk doorgeploegd.”

In 1971 liep de ZWO-steun af. Valkema Blouw: “Ik was nog lang niet klaar, ook al omdat ik gefascineerd was geraakt door al die anonieme drukken, veertig procent van het totaal, en ze graag thuis wilde brengen. Ik ben toen maar onbezoldigd doorgegaan, waarbij ik in de universiteitsbibliotheek mijn kamer mocht aanhouden. Het punt is dat ik vanaf de grond moest beginnen, is er eenmaal een editie, dan heb je een referentiepunt. Ik ben een avondmens, ik werkte vanaf het middaguur tot sluitingstijd - er is een tijd geweest dat de bibliotheek pas om middernacht dicht ging. 's Avonds word je minder gestoord, in de stilte is het heerlijk werken, je kunt je concentreren. Om aan inkomsten te komen heb ik de voorraad boeken van mijn antiquariaat verkocht, daarnaast had ik AOW en een pensioentje van ZWO. Een vetpot was het niet. Dat mijn methode nog weinig navolging heeft gekregen, hangt samen met het arbeidsintensieve karakter. Ik heb vijfentwintig jaar voor nop gewerkt, dat is natuurlijk vrij belachelijk.”

Op aandringen van De la Fontaine Verwey publiceert Valkema Blouw sinds de jaren tachtig artikelen in tijdschriften als Quaerendo en De Gulden Passer waarin hij wetenschappelijke verantwoording aflegt van de weg waarlangs hij tot zijn resultaten is gekomen. Ze leverden hem in binnen- en buitenland erkenning op, maar leidden er tegelijk toe dat de afronding van de Typographia Batava nog langer op zich liet wachten. Na lang aandringen van het Frederik Mullerfonds besloot Valkema Blouw in 1993 de afronding over te laten aan Bram Schuytvlot, assistent-conservator op de afdeling Zeldzame & Kostbare werken van de Amsterdamse universiteitsbibliotheek. Als ervaren bibliograaf was hij niet alleen vertrouwd met het werk van Valkema Blouw, ook had hij de nodige ervaring met het geautomatiseerd verwerken van titelmateriaal. Het liefst had Valkema Blouw gezien dat het hele bestand nog eens kritisch was doorgelopen - de wetenschappelijke inzichten aangaande de eindredactie zijn de afgelopen dertig jaar veranderd - maar daar stak het Frederik Mullerfonds een stokje voor: het had lang genoeg geduurd. De nu gebruikelijke 'vingerafdruk', die aangeeft welke letter(s) boven de eerste en laatste katernsignatuur staan (om zo edities snel van elkaar te kunnen onderscheiden) is niet in de beschrijving opgenomen. De definitieve bibliografie voor de periode 1541-1600 is de Typographia Batava dan ook niet geworden.

“Dat kan ook niet”, zegt Bram Schuytvlot met zachte bibliotheekstem in zijn werkkamer in de Amsterdamse UB - nog rommeliger dan die van Valkema Blouw. “Bij de presentatie op 4 september haalde het hoofd van onze bibliotheek een uitgave uit 1582 van de Psalmen van David uit zijn binnenzak waarvan in de TB, zoals de bibliografie in vakkringen is gaan heten, staat vermeld dat er geen exemplaar meer bekend is. Recentelijk was het boek hem door een handelaar aangeboden. Die titel heeft een plaatsje gekregen in de map 'aanvullingen TB' - er zullen er vele volgen. De aanduiding 'niet in Valkema Blouw' is een eretitel die archivarissen en bibliothecarissen zal aansporen nog eens goed te zoeken. En die de prijs bij de antiquaar zal opdrijven.”

De TB, twee groene banden met in totaal 1.448 bladzijden, is in een oplage van 800 exemplaren uitgeven bij De Graaf Publishers in Nieuwkoop. Hij kost ƒ 950,- en de uitgever heeft bedongen dat een versie op cd-rom nog vijf jaar op zich zal laten wachten. Schuytvlot: “Werken met de papieren versie heeft het voordeel dat je vanzelf de context ziet. Maar een elektronische TB vergroot natuurlijk het aantal zoekmogelijkheden. Er zijn plannen om ook het Apparaat Valkema Blouw op cd-rom te zetten, dat is fragiel materiaal van grote wetenschappelijke waarde en lang niet alles staat als illustraties in Valkema Blouws wetenschappelijke artikelen vermeld. Het scannen is geen probleem meer, de fondsen wel.”

In de Typographia Batava staan 7.438 titels, aanzienlijk meer dan de 3.000 waarvan bij de start in 1961 was uitgegaan (Bij de BT, Belgische tegenhanger, zakte het aantal juist van 30.000 naar 10.000). Schuytvlot: “Het werkelijke aantal uitgaven moet veel hoger hebben gelegen. Wat resteert berust deels op toeval. Veel is verloren gegaan, hetzij omdat het godsdienstig of politiek gevoelig drukwerk betrof waarmee je beter niet gezien kon worden, hetzij omdat het onooglijke gebruiksboekjes waren: omrekentabellen voor munteenheden, almanakken, kalenders en liedboekjes. Ze werden letterlijk kapotgelezen en weggegooid.”

UNICA

Maar ook oorlogsgeweld heeft boeken verloren doen gaan. Schuytvlot: “Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte de Leuvense bibliotheek in brand en in de Tweede ging materiaal verloren bij bombardementen op Londen en op Duitse steden. En als er een vliegtuig op de Bijlmer kan vallen, waarom dan niet op de UB? Van zo'n 450 titels uit de TB kennen we uit betrouwbare bron, bijvoorbeeld een veilingcatalogus, het bestaan maar is geen openbare vindplaats bekend. Veertig procent van wat wel aanwezig is, betreft unica: boeken waarvan nog één exemplaar bestaat. Amsterdam heeft er 350. Die boeken zou je moeten scannen, er zijn meer conserveringsproblemen dan negentiende-eeuwse papierverzuring.”

De nu verschenen bibliografie is voor de onderzoeker, van kerkhistoricus tot bibliograaf, een onmisbaar vertrekpunt. Zo geeft een van de indexen een overzicht van alle drukkers met een chronologisch overzicht van hun uitgaven. Schuytvlot: “Zo'n lijst vertelt je iets over de economische, politieke en godsdienstige verhoudingen en ontwikkelingen in een stad. De TB zal vele soorten gebruikers kennen.”

Paul Valkema Blouw vindt dat Schuytvlot “knap werk” heeft geleverd. “Ik had nu eenmaal geen toegang tot de computer van de UB en in de tijd dat Schuytvlot bezig was heb ik nog mooi enkele artikelen kunnen schrijven. Nu doe ik dat waarschijnlijk niet meer, ik word oud, de kans dat je fouten gaat maken is te groot. Het materiaal van de Typographia Batava is van mij, maar de vorm waarin het gepubliceerd is behoort aan Schuytvlot. De pech is dat ik op een ongelukkige tijd begonnen ben: voor het doorbreken van de computer. Die heeft een fundamentele verandering gebracht, ook in de verwerking van bibliografische gegevens.”