Fietsen op Kleine Kei (slot)

Bepakt en bezakt wachten de passagiers op de veerboot naar de overkant: een sampan met zeil. Er staat een stevig windje. Voor ik het weet heb ik mijn fiets al geparkeerd voor een warung, onder het wakend oog van de eigenaar: ik ga aan boord. Luid gejuich.

Het zeil wordt gehesen, we vertrekken. Een paar kinderen duiken in het water en zwemmen een eindje mee. Ik kijk naar mijn medepassagiers met hun handelswaar: zakken met rijst, meel en suiker. Dozen met minyak goreng (bakolie), een paar hoogpotige kippen aan een touw, een mand vol glinsterende vis. De man aan het roer met zijn gescheurde broek heeft een T-shirt om zijn hoofd tegen de zon.

We gaan overstag. Als de giek overkomt, buk ik automatisch. De wind en het water - 't is net Friesland, maar dan anders, heel anders.

“Dari mana?” De vrouw met de kippen kijkt me belangstellend aan: “Belanda?” Als ik bevestigend knik, zegt ze: “Kakak saya ada disana. (Mijn broer woont daar.) Di Seefna.” Verrast kijk ik op. Hoor ik het goed? Zevenaar? Wat moet iemand van Kei Kecil in een plaats als Zevenaar? De vrouw begrijpt mijn verbaasde blik. “Orang KNIL”, verduidelijkt ze. Och natuurlijk. Na de onafhankelijkheid is een grote groep militairen van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger naar Nederland gegaan. Haar broer dus ook. Van Kei-Kecil naar Zevenaar, een wereld van verschil.

We zijn aan de overkant, iedereen gaat van boord. “Mau ke mana”, vraagt de veerman. Als hij hoort dat ik voor mijn plezier meevaar, lacht hij uitbundig. “Ja, zeilen is het mooiste wat er is. Tidak pakai motor. Tenaga angin saja” (Niet op de motor, alleen windkracht).

Op de terugweg ben ik de enige passagier. Het gaat hard, maar de schipper heeft er duidelijk plezier in: de boot ligt schuin in het water, het zeil staat strak, de mast kraakt vervaarlijk. We gaan richting open zee. Ik schat de afstand naar de wal. Zou ik dat zwemmend halen? “Pulang saja”, zeg ik weinig heldhaftig (Gewoon naar huis).

Mijn fiets staat te wachten, bewaakt door tientallen kinderen. Als ik de veldfles weer heb gevuld, stap ik op. De laatste etappe.

Mijn gezicht gloeit, ik krijg kramp in mijn benen en het zadel lijkt wel van beton. Dit wordt afzien. Onderweg vrolijk lachende boeren met een mand vol ubi, een bijeengebonden tros kokosnoten. Kinderen met een bundel hout of een jerrycan met water. Ze leggen dezelfde afstand af als ik, maar dan te voet.

Eindelijk Langgur en even later de vertrouwde contouren van ons verblijf: het 'Rumah Sakit' (ziekenhuis). Op naar de mandi-kamer, een bak water over mijn hoofd, dat is voorlopig het enige wat ik wil.

Ik strompel over de veranda, bijna struikel ik over de schoenen en slippers voor de deur van de kamer naast de onze. Nieuwe buren? Het blijkt een wat oudere man te zijn en gezien het aantal schoenen en slippers heeft hij over gebrek aan bezoek niet te klagen.

Een man en een vrouw komen naar buiten. Ik groet: “Selamat sore!” “Ook goede middag”, zegt de vrouw, “spreek maar gewoon Nederlands. Ik kom uit Echt in Limburg en mijn broer uit Nistelrode.”

“Met vakantie”, vraag ik aarzelend. De vrouw lacht: “Dat kun je wel zeggen. Wij hebben onze vader hier gebracht. Hij wilde op zijn ouwe dag terug naar de Kei. Heimwee, weet je wel. Maar toen wij weer naar Nederland wilden vertrekken, werd hij ziek. Misschien malaria.”

De broer schudt zijn hoofd: “Hier zeggen ze penyakit Maluku. Dat krijg je als je in twee werelden leeft. De Molukse ziekte, altijd heimwee, waar je ook bent.”

Voor het donker wordt breng ik de fiets terug. Boven de ingang van het ziekenhuis wordt onder het toeziend oog van Suster Betty, een breed roodwit lint gedrapeerd. Morgen is het Hari Merdeka, bevrijdingsdag.

“Di mana birunya?” vraag ik plagend (Waar is het blauw?).

Maar Suster Betty heeft haar antwoord al klaar, met een stralend gezicht wijst ze naar de lucht: “Birunya ada dimana-mana” (Het blauw is overal).