De roebel leek net echt; Oorzaken van de Russische crisis

Wat is precies het karakter van de Russische crisis, en hoe kwam die tot stand? De geschiedenis van een obligatiepiramide, jarenlang instandgehouden met behulp van het IMF. De Russische economie werd er intussen niet productiever op, integendeel. Wijdverbreide ruilhandel ontnam het zicht op prijzen, lonen en belastingen. De roebel is nooit echt geld geweest.

Het kost Fjodor Koezmin de grootste moeite om maandagmorgen 17 augustus een rekening betaald te krijgen. De Russische bankgirocentrale heeft andere plannen. Een afdelingschef van deze staatsinstelling, die de girale bedragen moet 'clearen', weigert het geld over te maken naar Fjodors crediteur. De chef opteert voor een bedrijfje waarmee hij zelf zakelijke banden heeft. Hij is namelijk in paniek en wil eerst wat eigen rekeningen vereffenen. Koezmin ziet zijn geld al in een zwart gat verdwijnen. Zware druk en smeergeld helpen de ambtenaar uiteindelijk over de brug.

Koezmin is een vijftigjarige ingenieur/ zakenman in Moskou. Hij is jarenlang directeur van een metaalfabriek in de provincie geweest. Maar als in 1991 de Sovjet-Unie uit elkaar spat, begrijpt hij dat zijn toekomst voortaan in de hoofdstad ligt. Eerst gaat hij handelen in olie en andere zogeheten 'rauwe' grondstoffen. De connecties uit de Sovjet-tijd, die bij gebrek aan nieuwe wetgeving nog altijd de stempels voor exportlicenties en valutatransacties moeten zetten, komen hem daarbij van pas. Vier jaar geleden is hij, in samenwerking met een Russisch investeringsbankje dat net als vele anderen 'off shore' is gegaan, overgestapt op de financiering van de handelsprojecten. Koezmin investeert. Een ander onderneemt. Zoals dat gaat in de wereld van het risicodragende kapitaal.

De 17de augustus is de dag waarop het Russische financiële systeem in elkaar klapt. De aanleiding is het besluit van de regering - dan nog onder leiding van de jeugdige premier Sergej Kirijenko - om de roebel los te laten en een moratorium af te kondigen op alle staatsschulden. De oorzaak ligt echter dieper. De werkelijk reden is het financiële kaartenhuis dat de overheid van het nieuwe Rusland heeft opgebouwd.

Want als de privatisering van het Sovjet-bezit 'de grootste verkoop van de eeuw' is geweest, dan is de obligatiepiramide waarmee dat proces is gestut de grootste architectonische mislukking van dit decennium. En de herverkiezing van president Boris Jeltsin in 1996 de duurste electorale campagne van de laatste 50 jaar.

In financiële zin draaien al deze superlatieven om twee beslissingen: het besluit in 1992 om kortlopende staatsobligaties uit te geven (de zogeheten GKO's en OFZ's) en de aandelen-voor-leningen-deal die het Kremlin een paar jaar later sluit met de nieuwe financiële conglomeraten.

Om met die laatste deal te beginnen. In ruil voor deelname in de overheidschuld krijgen Russische bankiers medio jaren negentig onderhands voor een appel en een ei aandelen, waarmee ze feitelijk een groot deel van de oude staatsindustrie controleren. Het grootste deel van de natuurlijke hulpbronnen komt zo in handen van jongelui die in de laatste jaren van het ancien regime via speciale handelslicenties van de communistische partij, de jeugdorganistie Komsomol en het staatsapparaat hun carrière zijn begonnen.

De nu 37-jarige Vladimir Potanin, zoon van een hoge Sovjet-bureaucraat op het ook toen al zeer lucratieve ministerie van Buitenlandse Handel, bijvoorbeeld verwerft aldus met zijn Oneksimbank greep op Norilsk-nikkel, het telecommunicatiebedrijf Svjazinvest, Sidanko-olie en de befaamde Zil-autofabrieken. Zijn iets oudere generatiegenoot Michail Chodorkovski kaapt voor Menatep sleutelpakketten weg in Joekos-olie, Orenboerg-koper en Syktyvkar-tin. En de nog weer oudere Boris Berezovski van Logovaz (de bekendste van het tiental 'oligarchen', omdat hij zich in het Kremlin heeft weten in te vechten en nu de zakelijke belangen van de familie-Jeltsin behartigt) krijgt zeggenschap over bijvoorbeeld Sibneft (olie) en Aeroflot. De strategische staatsbedrijven komen via een management by-out feitelijk in handen van hun 'rode directeuren'.

Al deze oligarchen hebben ook nog eens een televisiestation, radio-omroepen of kranten tot hun beschikking voor de broodnodige public relations waarmee de burgers bewerkt kunnen worden. Hun onderlinge concurrentie beperkt zich, op de keper beschouwd, tot de politieke arena. Wie heeft welke bestuurder op zijn zwarte loonlijst staan voor het politieke 'dak' (protectie). Want zonder bescherming kan geen zakenman in deze corrupte tijden overleven.

Het zijn deze mannen die in 1996 de handen ineenslaan, hun kapitaal en media ter beschikking stellen en zo Jeltsins herverkiezing onder de leuze Ne dai Bog ('in godsnaam' niet weer communisme) veilig stellen. Het zijn deze mannen die een jaar later een 'bankiersoorlog' ontketenen om de laatste kroonjuwelen die nog geprivatiseerd moeten worden. Het zijn deze mannen die afgelopen lente, bij het aantreden van de kortstondige regering-Kirijenko, nog één keer heel even in de buidel tasten als de president daarom met de vuist op tafel vraagt.

Maar daarmee zijn de 'oligarchen' nog geen echte industriëlen of heuse bankiers. Hun geld doet op een andere manier zijn werk. Ze hebben al die jaren niet geïnvesteerd in de industrie maar in GKO's en andere kortlopende obligaties, die door de overheid worden uitgegeven om de schatkist te spekken. In de eerste jaren van Jeltsin loopt het nog geen storm, omdat de centrale bank de begroting via de drukpersen in Moskou en Perm 'monetair' financiert. Maar als de roebel op 14 oktober 1994 in elkaar klaptworden de GKO's een hit. In de verkiezingsjaren '95/96 haalt de overheid 27,5 en 30 miljard roebel (twaalf miljard gulden tegen de koers van toen) binnen. Een jaar later daalt de opbrengst iets, tot de nog altijd respectabele som van 22 miljard roebel.

De rendementen ogen zelfs zo mythisch - in tijden van gekte zelfs oplopend tot 180 procent - dat banken van heinde en verre er als vliegen op afkomen. De Russische financiële instellingen lenen er met liefde dollars voor, die op hun beurt weer worden afgedekt met een kortlopend roebelcontract bij een hedge fund of een Westerse bank dan wel met een onderpand in de bezittingen die de bank inmiddels in eigen land via de aandelendeal heeft vergaard. De rekensom lijkt simpel. Als de roebelkoers stabiel blijft, daalt de discontorente en stijgt de koers van de obligaties. Wie tegen een lage rente dollars leent en die steekt in waardepapieren van roebels, waant zich in een perpetuum mobile. De kraan van deze communicerende vaten opendraaien en incasseren maar, dat is de sfeer.

In het voetspoor van de staat gaan ook regionale overheden, lokale fabrieken en kleinere financiële instellingen waardepapieren uitgeven. De Russische economie wordt bedolven onder een deken van kettingbrieven. De prijs ervan is vaak fictief, omdat er ook politieke belangen in het geding zijn. Zo trekt de tractorfabriek van Tsjeljabinsk in de Oeral roebels aan door weksels (wissels) uit te geven. Als de waarde op de beurs zakt tot de helft van de nominale waarde, wil niemand ze hebben voor meer dan 50 procent. Behalve dan de lokale bureaucraten die in zaken zijn gegaan. Zij zijn bereid er 90 procent voor neer te tellen. Hun motief is niet economisch. De traktorfabriek mag gewoon niet over de kop gaan. Daar komt maar sociale onrust van, omdat aan de fabriek een heel stelsel van secundaire arbeidsvoorwaarden (crèche, huisvesting, sportclubs enzovoort) hangt. Bovendien zijn de weksels, hoe duur ook, een 'dak' waaraan de plaatselijke machthebbers een machtspositie kunnen ontlenen die in cash of goederen te gelde kan worden gemaakt.

Een heel parallel stelsel krijgt in deze jaren vorm. Nieuwe woorden doen in de Russische taal hun intrede. Begrippen als of sjore (off shore) en fjoetsjur (futures), al dan niet hedzjirevonni (afgedekt tegen risico's, van het Engelse woord 'hedging') worden onder experts gemeengoed.

Dankzij het succes van de GKO's en andere waardepapieren zit in 1998 maar liefst 50 procent van het bruto binnenlands product in obligaties. Iedereen denkt er beter van te worden. Want het IMF houdt ondertussen via de centrale bank de roebelkoers binnen de politiek vastgestelde 'corridor' op peil, zodat de risico's beperkt lijken. De piramide is gereed, een piramide waarop volgens de laatste cijfers een schuld ligt van meer dan 400 miljard gulden: 300 miljard in het buitenland, 60 miljard in Rusland zelf en 50 miljard tussen de commerciële banken onderling.

Naar internationale maatstaven is dat geen ramp. Er zijn alleen wel een paar nadelen aan verbonden. Ten eerste moet de prijs van energie (naast wapens hèt exportproduct van Rusland) stabiel blijven. En ten tweede moet niemand het wagen om de ballon van deze emerging market door te prikken.

Tot een jaar geleden gaat dat goed. Dat wil zeggen tot de Aziatische griep zijn epidemische tocht begint, de olieprijs met ruim een kwart daalt en de psychologie haar werk gaat doen. Het gasconcern Gazprom, goed voor 25 procent van de belastinginkomsten, voorziet de eerste verliezen op zijn export en begint moeilijk te doen over de fiscale druk. Het 'vaderlandse' financieringskapitaal begrijpt de hint, verlaat de beurs van Moskou en vlucht in dollars. In die munt, die nu door de gedaalde energieprijs schaarser wordt, moeten de kortlopende leningen waarmee de obligaties zijn gekocht immers worden terugbetaald.

In 1997 dienen de eerste signalen zich al aan. Maar dit voorjaar komt de stroom echt op gang, eerst heimelijk, maar vanaf de zomer openlijk en in moordend tempo. De jonge buitenstaander Kirijenko, die in maart naiëf de boedel van Viktor Tsjernomyrin (de architect van de piramide en niet toevallig ex-chef van Gazprom) heeft geërfd, onderneemt wanhopige pogingen om het overheidsbudget te trimmen. Dat gaat ten koste van de zogeheten bjoedzjetniki als mijnwerkers, militairen, leraren, medici, bejaarden en andere die van de staat afhankelijk zijn, maar in de formele democratie die Rusland immers is wel stemrecht hebben. In de zomer spendeert de centrale bank in vier weken tijd vervolgens nog eens 9 miljard gulden van het IMF om de speculatie tegen de roebel het hoofd te bieden, een offensief dat de Russische bankiers zelf hebben ontketend omdat zij bij het sluiten van hun aflossingstermijnen nu ineens niet meer alleen belang hebben bij dollars maar ook bij goedkope roebels waarmee ze hun binnenlandse schulden moeten afbetalen.

Het mag echter niet meer baten. De piramide van kortlopende obligaties en andere waardepapieren blijkt geen economisch fundament te hebben maar op een moeras te zijn gebouwd. Wat 'gecontroleerde' devaluatie moet zijn, mondt uit in complete 'crisis'.

De implosie is geen verrassing. Het is de prijs van het klatergoud waarmee Rusland inmiddels is versierd. De hervormingen, waarover jarenlang zo duur is gedaan, hebben alleen de financiële wereld in de kaart gespeeld. Niet de basis van de verouderde Russische economie, die al jaren verlegen zit om innovatieve investeringen zodat ze eindelijk eens op de wereldmarkt kan concurreren. De opbrengsten van de Russische bodemschatten hebben de oligarchen in hun zak gestoken. Dat ook de mensen en spullen, waarmee die rijkdommen worden uitgebaat aan onderhoud toe zijn, is niet hun zorg. Anders gezegd: de activa op de voormalige Sovjet-balans mogen dan wel geprivatiseerd zijn, zoals Joelia Latynina eind september in het weekblad Ekspert uitlegt, de passiva zijn dat niet.

De consequenties hiervan zijn immens. De oude industrie bijvoorbeeld is blijven werken volgens haar vertrouwde principes. Barter (ruilhandel) is er de norm gebleven. Een geldeconomie, waar alles zijn prijs heeft volgens de principes van vraag-en-aanbod, is amper van de grond gekomen.

Deze barter werkt van laag tot hoog. Een paar illustraties. Het bestuur van Krasnojarsk heeft geen geld op de begroting voor cultuur. Het voormalige Lenin-museum wordt derhalve ten dele met vliegtuigtickets betaald, zoals iets verder in het Verre Oosten de kinderbijslag wordt uitgekeerd in de vorm van bh's, die op hun beurt ook weer worden geruild. In Samara worden alleen auto's gemaakt. Terwille van de voedselvoorziening ruilt Samara dus met Stavropol bussen voor meel.

Minister Igor Sergejev van defensie op zijn beurt maakt van een reis naar Angola gebruik om er een barterdeal te sluiten: tanks voor diamanten en olie. En op de hoofdstedelijke effectenbeurs gaan nu stemmen op om de markt, die zo dood is als een pier, nieuw leven in te blazen door aandelen voortaan maar te ruilen. Zelfs burgemeester Joeri Loezjkov van Moskou, een patriottische 'patroon' die als geen ander heeft weten te profiteren van de financiële boom in het politieke 'centrum', vloekt tegenwoordig in de kerk. Wegens geldgebrek is hij ertoe overgegaan aan Russische aannemers en anderen grond weg te geven om zijn verheven project Moskva-Siti (Moscow City) gebouwd te krijgen.

Dit bartersysteem strekt zich ook tot de belastingen uit, en dus tot de kern van de publieke besluitvorming. Tsjeljabinsk krijgt binnenkort daarom een metro. De bedrijven in en rond deze zware industriestad in de Oeral hebben een grote belastingschuld maar geen geld. Ze betalen de fiscus nu af door een ondergrondse aan te leggen. Niet alleen de prijs van deze metro is zodoende niet marktconform, de vraag rijst ook wie er in deze stad regeert. Het lokale bestuur staat met zijn rug tegen de muur. Een keuze voor andere bestedingen (renovatie van vervallen woonwijken of ecologische maatregelen, in Tsjeljabinsk geen overbodige luxe) kan het niet maken: het is een metro of niets.

De centrale staat wordt op vergelijkbare wijze uitgemanoeuvreerd, getuige de offerte van het gasconcern Gazprom vorige week om zijn belastingschuld van vier miljard gulden af te betalen met onder meer energie voor het militair-industrieel complex.

Zelfs als de overheid wel in staat is geld af te dwingen voor de fiscus, vertaalt zich dat indirect in barter-arrangementen. Een bedrijf dat belasting afdraagt, kan zijn salarissen niet of slechts ten dele in contanten uitbetalen en gaat dus in natura of desnoods in eigen waardepapieren belonen. Waarna de vicieuze cirkel uiteindelijk naar het niveau van de moestuintjes bij de datsja's afdaalt.

Rusland heeft een “virtuele economie”, aldus Clifford Gaddy en Barry Ickes in een briljant artikel in het laatste nummer van het Amerikaanse Foreign Affairs. Ze is gebaseerd op “illusies over nagenoeg alle belangrijke parameters: prijzen, lonen, belastingen en begrotingen”. Je zou het ook kunnen betitelen als een totaal uit het lood geslagen 'aanbod-economie', waar de verkoper de prijs van een product bepaalt en niet de koper.

Dat is het ene deel van het verhaal. Het andere deel is de rol van geld. In deze romantische wereld van ruilhandel circuleert namelijk wel degelijk echt geld: en wel in handen van de exporteurs van de 'ruwe' grondstoffen en de importeurs van consumptiegoederen. De eersten ontvangen in dollars - sinds 1992 voor driekwart of sjore - en rekenen af in roebels. De laatsten betalen in dollars en krijgen roebels.

Door het ontbreken van een financiële markt die geen piramides bouwt maar investeert, heeft dit echte geld Rusland in zijn greep gekregen. De grootste staat ter wereld is steeds afhankelijker geworden van import en dus van valuta. Terwijl de industrie op Sovjet-wijze doorploegt en geen geld heeft voor innovaties, is de consumptieve sector (vodka even buiten beschouwing gelaten) door de dollar gekoloniseerd.

In Moskou is dat het spectaculairst gebeurd: daar is driekwart van de goederen op de markt van niet-Russische origine, dat wil zeggen uit het buitenland ingevoerd of met vreemd kapitaal in Rusland zelf geproduceerd. Maar ook buiten de hoofdstad heeft zich deze trend gemanifesteerd. Om het te beperken tot de elementaire levensbehoeften: 10 procent van de groente, 30 procent van de zuivel, 40 procent van het rundvlees, 70 procent van de vis en 80 procent van het pluimvee wordt ingevoerd. En daar waar de 'zachte' industrie wel enigszins succesvol is geworden (zoals voedsel, farmacie en auto's) zitten er vaak buitenlandse investeerders als Mars, Fiat of Nestlé achter.

Het resultaat van deze alliantie tussen dollars en goederen is een duale economie, waarin zowel de geld- als de ruilsector zit opgesloten. De GKO is beider cipier. Tot 17 augustus. Dan zijn de deviezenreserves op, de waardepapieren waardeloos, de commerciële banken kapot en Kirijenko c.s. schuldig. De nieuwe regering van premier Jevgeni Primakov opent vervolgens de jacht op dollars, zowel op matras- als of sjore-dollars. De drukpersen in Moskou en Perm draaien weer voor die banken die hun GKO willen omwisselen voor nieuwe obligaties ('bevers') en bereid zijn hun boeken te openen, zodat de centrale bank precies weet waar hun echte geld zich verschuilt. Op deze manier wil centraal bankier Viktor Gerasjtsjenko de weigerachtige banken tot samenwerking dwingen óf langzaam de nek omdraaien. De roebel is zijn zoenoffer.

Is daarmee ook de Russische munt verslagen? Het hangt af van je wereldbeeld. De roebel heeft in de gouden jaren net echt geld geleken, maar ze is het nooit geweest. Fjodor Koezmin hoef je dat niet uit te leggen. Hoewel het wettelijk niet mocht, is hij altijd in dollars blijven rekenen. “Mijn hersens kunnen gewoon niet anders”. Als het bouwwerk deze zomer in elkaar stort, zijn hij en zijn collega's dus maar met één ding bezig: zichzelf in veiligheid brengen. Hoewel het banksysteem niet meer werkt, weten ze met z'n allen in de maand september nog 5 miljard gulden het land uit te sluizen.

Voor de rest is het afwachten. Vlak voor de crisis heeft Koezmin een grootscheeps vistransport uit Vladivostok gefinancierd. Hij heeft het businessplan goed doorgerekend. De 22 wagons, met 500 ton ingevroren vis, vertrekken uit het Verre Oosten vóór de 17e augustus. Ze arriveren na de krach. De vis is op slag bijna drie keer minder waard geworden. Goddank werken de vrieshuizen in Moskou nog. Wie weet worden de goederen straks bij schaarste ineens goud waard. Hij zelf leeft voorlopig van zijn banksaldo. Of sjore, natuurlijk. Fjodor Koezmin is niet gek.