DE ONMENSELIJKE INGENIEUR; Kastensamenleving van werktuigbouwkunde is in een diepe crisis geraakt

De ingenieurscultuur binnen de hbo-opleiding werktuigbouwkunde heeft tot rampzalige gevolgen geleid. Om uit het dal te geraken is een openhartige dialoog over de inhoud van de studie nodig.

GEKLEED IN een uitbundige combinatie met strik voldoet ingenieur (ing.ir.) Cees Blokhuizen niet aan het stereotype beeld van een techneut. “Wij zijn inderdaad een beetje de exotische types binnen ons vakgebied”, beaamt collega-docent Frans van Montfort. Met zijn grijze krullen, halsketting en armband lijkt ook hij meer op zijn plaats in de met kroonluchters versierde afdeling drama van de Eindhovense Fontys Hogeschool, waar de twee docenten van de afdeling werktuigbouwkunde twee jaar lang een kamer hadden voor hun promotie-onderzoek. In hun onlangs verschenen proefschrift Ingenieurs, scholing en onderwijscultuur betogen Cees Blokhuizen en Frans van Montfort dat de HBO-opleiding werktuigbouwkunde in een diepe crisis verkeert. “De relaties tussen docenten, studenten en management zijn zo verstoord dat ik, als het een huisgezin betrof, relatietherapie zou adviseren”, aldus Blokhuizen. De kern van de crisis ligt in botsende verlangens. Het management wil een goedlopende onderwijsorganisatie, de docenten willen hun vak goed kunnen geven en de studenten willen zich kunnen ontplooien.

Blokhuizen noemt zichzelf een ingenieur met een fascinatie voor de 'zachte' wetenschappen, terwijl Van Montfort als vormingswerker juist veel interesse heeft voor de 'harde' wetenschappen. Die combinatie bleek de juiste basis voor een gezamenlijk promotie-onderzoek naar de cultuur binnen ingenieursopleidingen. Een novum, want binnen de hogescholen bestaat geen promotiecultuur, aldus Van Montfort.

Voor hun onderzoek vroegen Blokhuizen en Van Montfort vele docenten, studenten en managers hoe zij de kwaliteit van het werktuigbouwkundig onderwijs aan de hogescholen beoordelen. Deze ideeën, gevoelens en gedachten vormen naast harde cijfers de basis van het promotie-onderzoek. De crisis die zij signaleren in de ingenieursopleidingen valt uiteen in drieën: de relatie tussen docent en management, tussen docent en student, en tussen docent en diens vak.

Historisch gezien zijn ingenieurs nogal eens werkzaam in de wapenindustrie. Daarvandaan komt de traditie van bevelshuishouding, strakke discipline en hiërarchie, die leidt tot een zogenoemd kastenstelsel. “Docenten denken onbewust in rangen en standen. De informele structuur is gebaseerd op die pikorde”, aldus Van Montfort. Top of the bill zijn de docenten werktuigbouwkunde. Wiskunde en natuurkunde volgen daaronder. Talen tellen niet mee. De kastelozen zijn degenen die buiten de werktuigbouwkundige rangorde staan: de huishoudelijke dienst tot het management.

KASTELOZEN

Deze grondhouding heeft gevolgen. Allereerst leidt het tot een crisis tussen docenten en management. Door schaalvergroting en concentratie wordt het binnen de instituten steeds bureaucratischer. De docenten die van oudsher de hoogste kaste bevolken, met alle bijbehorende privileges, moeten zich in de huidige structuur van het hoger beroepsonderwijs schikken naar de wensen van de kastelozen: het management, dat de bestuurlijke leiding heeft. Van Montfort: “Docenten voelen zich onaangenaam in hun status aangetast als zij in kantoortijd moeten aangeven wanneer zij afwezig zijn.” Opvallend is echter dat niemand protesteert. “Dat is weer die bevelshuishouding”, zegt Blokhuizen. “Iedereen slikt het, maar blijft morren.”

Volgens de onderzoekers gaat de tendens van bureaucratisering ten koste van het primaire proces: het overdragen van kennis. Het is niet alleen het gevoel van de docenten, de cijfers bevestigen hun vermoedens. In 1994 was 65 procent van de aan de studierichting werktuigbouwkunde toegewezen overheidsgelden bestemd voor onderwijs, de overige 35 procent voor indirecte kosten als administratie, huisvesting en niet-onderwijzend personeel. In werkelijkheid besteedde het management van de studierichting maar 31 procent van het geld direct aan onderwijs en werd de overige 69 procent uitgegeven aan indirecte kosten.

Een ander gevolg van de 'natuurlijke pikorde' is dat technische vakken steeds meer terrein winnen ten opzichte van niet-technische vakken. Blokhuizen: “Als er druk is op het curriculum worden de vakken verdreven die 'men' het minst belangrijk vindt. De theorie staat het hoogst in aanzien. Practica worden als minder belangrijk beschouwd. Sport en Nederlands staan onder aan de ladder.” Voor hun onderzoek hebben Blokhuizen en Van Montfort alle eindexamens van de ingenieursopleidingen tussen 1914 en 1994 geanalyseerd. Was in 1914 nog ruim een derde van het examen niet-technisch van aard, in 1994 zijn alle niet-technische aspecten eruitgehaald. De onderzoekers ontdekten bovendien dat de examens sterk van karakter veranderden. De toegankelijkheid nam af, de hoeveelheid opdrachten eveneens, terwijl zij tevens uitsluitend in de gebiedende wijs gesteld waren: behandel, schets, bereken.

Van Montfort ziet gevaar in de vervreemding van de maatschappij. “Ingenieurs ontwikkelen zo hun eigen manier van communiceren.”Blokhuizen: “Taal is het water waarin ingenieurs gevormd worden. Als die verarmt, verarmen de toekomstige ingenieurs. Techneuten zijn communicatief hartstikke vaardig op hun eigen terrein, ze hebben alleen geen gedachten over andere gebieden.” Als het aan de opleidingen ligt zal het wat betreft communicatieve vaardigheden niet verbeteren, zo blijkt uit het proefschrift. Met maar vier studiepunten in de eerste twee jaar is taal een vak met een lage status, dat veelal door de enige vrouwelijke docenten in het korps wordt gegeven ('de talenjuf') en dat op desinteresse van zowel docenten als studenten stuit.

Dit alles leidt er volgens de auteurs toe dat docenten zich niet meer thuis voelen in hun vak. De maatschappij, de studenten en het management vragen van hen dat zij meer doen dan alleen techniek overdragen, terwijl dat volgens de docenten juist dat is waar het om draait. Juist die techniek blijkt binnen de opleidingen te verouderen. De ontwikkelingen gaan snel en goede bijscholingsmogelijkheden ontbreken.

MENSENZAAK

Blokhuizen en Van Montfort zien in de genoemde tendensen een ontmenselijking van de opleiding. De docenten gaan eraan voorbij dat techniek een mensenzaak is. Communicatie is daar een niet onbelangrijk onderdeel van. “De woorden 'ontplooiing van de student' zitten niet in de hoofden van de docenten”, meent Van Montfort. “Bij een vak als drama leren docenten studenten zichzelf kennen, bij techniek gaat alles wat de studenten leren buiten henzelf om. Technische docenten weten zich geen raad met emotionele en pedagogische zaken.”

De diepstliggende crisis is volgens de onderzoekers de verhouding tussen student en docent. Studenten betitelen hun docenten als prehistorische mislukte ingenieurs. Van Montfort: “De voedingsbodem voor respect is totaal kapot. Wij hebben rijen klassenfoto's bekeken van ingenieursopleidingen vanaf 1914. In het begin zie je daar een klas strak in het pak, met een docent die natuurlijk gezag uitstraalt. Op latere foto's haal je de docent er bijna niet meer uit.”

Volgens Blokhuizen is het beeld van de docent als mislukte ingenieur “een oude, onuitroeibare mythe”. Op zichzelf is die mythe begrijpelijk. Docenten zijn vaak ingenieurs die het bedrijfsleven de rug hebben toegekeerd, omdat zij daar weinig met techniek te maken kregen. Dat levert een dubbelzinnige houding op tegenover hun vak: “Je werkt dan niet meer als ingenieur, want je brengt alleen maar kennis over, je ontwerpt zelf niets. Je oefent een alfavak uit, in plaats van een bètavak.” De werking van de mythe wordt nog versterkt door de geringe aanwas van jonge docenten.

TOEPASBAAR

Volgens Blokhuizen en Van Montfort zijn hun bevindingen toepasbaar op alle opleidingen en zeker op de technische. “De ontwikkelingen in het onderwijs van de laatste vijftien jaar hebben overal dezelfde processen op gang gebracht.” Als docenten bedrijfskunde willen beiden de boel in beweging te brengen. Door een uitwisseling met dramastudenten bijvoorbeeld, om zo 'met elkaar in gesprek te raken' aldus Van Montfort. “Je kunt wel blijven doorkloten met het onderwijs, maar dan zakken de ingenieursopleidingen echt door hun fundament heen.” Dat zou de bestaande leegloop in de ingenieursopleidingen vergroten. “Studenten zijn niet trots meer op hun opleiding, net zo min als op hun opleiders”, concludeert Blokhuizen. De bezieling ontbreekt. Volgens de twee onderzoekers moet er binnen de opleidingen vooral gepraat worden over de inhoud van het onderwijs. Openhartig en openstaand voor dialoog, dat moet de trend worden. Dan kunnen signalen uit overheid en bedrijfsleven dat de studie zich meer op de maatschappij moet richten, werkelijk doordringen.

REACTIES: 'GEKKE DINGEN'

De reacties op de bevindingen van Cees Blokhuizen en Frans van Montfort zijn sterk wisselend. Ing. E.G.R. Roelink, algemeen voorzitter van de Nederlandse Ingenieursvereniging NIRIA, noemt de bevindingen 'schokkend', juist omdat “belangrijke impulsen voor de innovatie en economische concurrentiekracht van ons land moeten komen van ingenieurs die zijn opgeleid in de werktuigbouwkunde”. Het ontbreken van voldoende financiële middelen voor onderwijsvernieuwing en bijscholing is in zijn ogen één van de belangrijkste oorzaken van de geconstateerde malaise. Ook moet de interne middelentoewijzing onder de loep worden genomen: “Wanneer slechts 31 procent van het budget terecht komt bij het primaire proces, het geven van onderwijs, komt het mij voor dat er werkelijk iets mis is.”

Ina Bakker, voorlichter van de HBO-Raad, laat weten: “Wij zijn niet bekend met het proefschrift. Wel is het zo dat het rapport van de visitatiecommissie van 1994 al kritisch van teneur was. Op grond daarvan zijn binnen het Hoger Technisch Onderwijs een aantal vernieuwingsprojecten gestart.”

Dr. F.C. van Rijswijk, directeur faculteit techniek van de Fontys Hogescholen Eindhoven (de eigen school van Blokhuizen en Van Montfort) zegt: “Ik vind het beeld dat geschetst wordt sterk gekleurd. Het lijkt of er voortdurend conflicten zijn tussen docenten, studenten en management, maar dat is geenszins het geval.” Hoewel Van Rijswijk het proefschrift ziet als een aanzet tot herbezinning, bevat het volgens hem een aantal 'gekke dingen': “Bijvoorbeeld de ontevredenheid van studenten. Wij houden regelmatig enquêtes en daaruit blijkt dat men tevreden is over de opleiding. Ook de visitatiecommissie van 1994 was erg lovend over onze opleiding.” Pertinent oneens is Van Rijswijk het met de uitspraken over de toewijzing van de middelen. “Ik ben er nog niet achter waar zij zich op baseren, maar het klopt absoluut niet met onze cijfers. De auteurs hebben dat getal van 31% niet geverifieerd bij de directie.”