De kwestie-Rushdie

De kwestie-Rushdie lijkt sinds kort opgelost: de Britse schrijver is in elk geval in het openbare leven teruggekeerd en de Britse regering gaat haar ambassadeur naar Teheran terugsturen. Maar dat is niet zozeer een gevolg van van de voorzichtige democratisering in Iran als wel van een veranderde opstelling in Londen. Iran heeft nu wel een relatief liberale president in de persoon van Mohammad Khatami, maar de Iraanse Rushdie-politiek is onder zijn bewind in essentie ongewijzigd gebleven.

Aan het doodvonnis tegen Rushdie, in 1989 door de Iraanse Opperste leider imam Khomeiny afgekondigd wegens het zijns inziens godslasterlijke karakter van diens roman De Duivelsverzen, wordt niet getornd.

Khatami's minister van Buitenlandse Zaken, Kamal Kharrazi, verklaarde vorige maand in New York, dat de Iraanse regering “geen enkele maatregel zal nemen die het leven bedreigt van de auteur van De Duivelsverzen”. Dat standpunt dateert al van 1994, onder het bewind van president Rafsanjani. Dat werd sindsdien op gezette momenten herhaald, maar de Europese Unie - en Groot-Brittannië in het bijzonder - eiste altijd dat dit standpunt schriftelijk zou worden bevestigd vóór er van normalisering van de relaties sprake kon zijn. Dat is nog steeds niet gebeurd.

“Het vonnis tegen Rushdie, de godslasteraar, gisteren zowel als vandaag, is de dood en de val in de hel voor de eeuwigheid”, schreef deze week een meerderheid van de Iraanse parlementariërs in een verklaring. Maar de bewuste parlementariërs distantieerden zich niet van het regeringsstandpunt. Iran meent immers tevreden dat de Britten “eindelijk hebben besloten onderscheid te maken tussen hun diplomatieke relaties met ons en de kwestie-Rushdie”.