De aardappel

Van alles wat de natuur aan 'nuttigs' voortbrengt komt de aardappel er het slechtst af. Hij groeit onder de grond, wordt er met een machine uitgerukt, komt meteen in een kist terecht, wordt ingekuild, later geschild of geschrapt, in het water gegooid, gekookt of gebakken en opgegeten. Vergelijk het met de appel die rijpt in de zon, hoog aan de boom, dan wordt geplukt en bewonderd om zijn gezonde kleur, soms nog opgepoetst, op een schaal gelegd waarna er 'gretig in wordt gebeten'. Je ziet eruit als een appeltje! An apple a day keeps the doctor away. Een appeltje voor de dorst. Of een perzik. Een huidje als een perzik. In de taal heeft de aardappel niets nagelaten dat als vleiend kan worden beschouwd. Een kop als een aardappel. Van Goghs schilderij is beroemd geworden doordat het de armoede van de eters zo goed weergeeft. De Werdegang van de aardappel is niet benijdenswaardig.

Niet zo lang geleden zag ik op de balie van een hotel een reeks brede vazen van aardewerk staan - geen bloempotten dus - waaruit bloeiende planten groeiden. De receptionist die mijn blik van nieuwsgierige bewondering had gezien, zei: “Dat zijn aardappelplanten”. Ik vroeg nadere bijzonderheden, en hoorde dat er nog een andere manier is om de aardappel aan te pakken. Terug op de redactie begon ik te experimenteren. Uit het Sinterklaaspakket was een grote glazen vaas overgebleven. Die heb ik voor de helft met water gevuld, voor een gulden een grote aardappel gekocht, van een ijzeren klerenhanger een soort hangmatje gebogen en daarin ongeveer een centimeter boven het wateroppervlak de aardappel gelegd.

Wat zou er gebeuren? Wist de aardappel wat zijn boven- en onderkant was? Ik overlegde met collega's. “Waarschijnlijk zijn dit zijn ogen”, zei een kenner, en wees op een paar oneffenheden die meestal de 'pitten' worden genoemd. Ik besloot een dagboek aan te leggen.

Aan een smalle zijkant kwamen heel langzaam dikke, puntige uitstulpsels, steeds dikker, maar tot een plant brachten ze het niet. Uit mijn aantekeningen blijkt mijn groeiende bezorgdheid. Ik wist dat het funest is, de aardappel zelf met zijn huid in contact met het water te brengen. Bij veel regen rotten de aardappels in de grond. Die van mij begon te rimpelen, natuurlijk doordat de uitstulpsels zijn vocht en voedsel verbruikten. Dan kon niet lang meer goed gaan.

Als de nood maar hoog genoeg stijgt, komt er een ogenblik van roekeloze daadkracht. Ik verlegde de aardappel in zijn hangmat en verhoogde het waterpeil zodat het dikke uitstulpsel bij wijze van spreken met één grote teen in het water hing. Dat was het begin van een aaneenschakeling van wonderen die voortduurt tot de dag van vandaag. Uit het stulpsel kwamen wortels, witte draden die groeiden met een snelheid van een centimeter per etmaal. Binnen een dag of tien was in de vaas een chaotisch web ontstaan, terwijl de aardappel zelf zich herstelde van zijn rimpels en weer hard werd als vanouds. Intussen begonnen uit de stulpsels boven water zich stengels te ontwikkelen met een begin van blad. Maar het ging langzaam, langzaam.

“Denk je dat er nog kleine aardappels uit zullen groeien?” vroeg de kenner die ik hierboven al noemde. Ik twijfelde. “De kleine aardappeltjes groeien in de grond”, zei ik. Het klonk wel overtuigend, maar opnieuw werd ik bezorgd. In water zit geen voedsel. Dit aankomende plantje zou gedoemd zijn, een ondervoed exemplaar te blijven.

Van vroegere plantkundige experimenten had ik een kwart van een zakje potaarde bewaard. Dat heb ik in het water gegooid. De aarde bleef hangen in het wortelweb; er was nu een soort doorzichtige modder in de vaas. En daar begon het! Nadat de plant van zijn verrassing was bekomen, begon hij iets te doen waarvoor groeien een zwak woord is. Voor beeldspraak zou ik te rade moeten gaan bij de Hulk, Zwelg de Zwelbast, de Geest in de Fles, de Bonenstengel van Jacobus. Binnen drie weken is uit de vaas een plant ontstegen waarvan de langste stengel langer dan een meter is. En op de ochtend dat ik dit stukje schrijf, 9 oktober, is de aardappel op zijn hoogste punt gaan bloeien: vier sneeuwwitte bloemen met gele stampers. De kortere stengels staan nog rijk in knop.

Ik zou nu natuurlijk wel allerlei metaforische dwarsverbindingen kunnen leggen met het leven buiten deze aardappel, groene geest uit de vaas, maar dat wordt niks. Althans, dat moet de lezer zelf doen, naar eigen behoefte en inspiratie. Dit is het verslag. Fotografische bewijzen ter inzage.