Babble babble babble; Affaire-Lewinsky tast aanzien van Amerika's journalistiek aan

In de tijd van Watergate werden journalisten in Amerika bewonderd, in de tijd van Monicagate niet meer. De talloze talkshows moeten gevuld, op Internet worden straffeloos geruchten gelanceerd. In de heksenketel waarin de oude en de nieuwe media elkaar verdringen is het checken van de feiten het kind van de rekening geworden.

Voor een paar generaties journalisten waren Carl Bernstein en Bob Woodward het lichtende voorbeeld van investigative reporting. Iedere jonge ambitieuze journalist in de jaren zeventig droomde ervan een Woodward of Bernstein te worden, met lang haar en - als het even kon - een tweedehands Burberrys uit de loopgraven van Verdun. De bestseller All the President's Men, hun te boek gestelde relaas van een jarenlange belegering van president Nixon, werd het lijfboek van elke journalist die gebiologeerd werd door de structuren van de macht. De politiek was opeens de plaats waar een journalist moest zijn. De kopstukken die de vinger kregen achter de geheimen van de macht, genoten aanzien en status zoals geen journalist eerder had gekend.

Woodward en Bernstein waren de jonge verslaggevers van de Washington Post, die een inbraak in het hoofdkantoor van de Democratische Partij in het Watergategebouw in Washington op het spoor kwamen dat naar een kolossale, antidemocratische samenzwering in het Witte Huis leidde. Met de onvoorwaardelijke steun van hun krant, de bescherming van het First Amendment van de grondwet en de meegaandheid van het Federale Hooggerechtshof lichtten ze de corrupte macht in het hart van het Amerikaanse regeringssysteem uit zijn hengsels. Daarmee schiepen ze de voorwaarde voor een grote schoonmaak van het Amerikaanse regeringssysteem. Richard Nixon moest eraan geloven en werd gedwongen het politieke toneel te verlaten.

Woodward en Bernstein kregen het op hun brood dat zij de president van de Verenigde Staten naar de buitenste kringen van de eeuwige duisternis hadden verdoemd, maar die prijs was de uitzwaveling van de democratie ruimschoots waard. Maar Woodward en Bernstein ging het niet om de knikkers, doch om de zuiverheid van het spel. Ze hadden het voorzien op een politieke misdaad, niet op seksueel vergrijp in het Oval Office.

De Watergate-affaire transformeerde gedurende een reeks van jaren de machtsverhoudingen in de Amerikaanse democratie. Democratische machtsverschuivingen duren nooit lang; ze voltrekken zich meestal in spiralen, die onderhevig zijn aan opwaartse en neerwaartse bewegingen. Toch was de macht van het Amerikaanse presidentschap na Watergate onmiskenbaar beknot, die van het parlement - het Amerikaanse Congres - ontegenzeggelijk uitgebreid. Het Congres had een politiek gewicht zoals het nog nooit had bezeten. Het baadde zich kortstondig in de verering van het volk. En in de ogen van dat volk had de politieke journalistiek een macht bereikt die daar nog boven uitging. Walter Lippmann (in zijn nadagen), James Reston, Walter Cronkite, David Brinkley, Tom Wicker, John Hersey en nog vele anderen waren grootheden die de meeste senatoren in faam en status in de schaduw stelden. En in elke opiniepeiling kwam Cronkite steevast als de meest betrouwbare van alle Amerikanen uit de bus.

De pers had de plaats veroverd die de stichters van de Amerikaanse democratie haar twee eeuwen eerder hadden toegedacht: hoeder van de rechtsstaat, bewaker van de machten in de staat. The Fourth Branch of Government.

De Cronkites en de Restons zijn net als Nixon al lang van het toneel verdwenen, maar als ze nog zouden meedoen zouden ze hun vak niet meer herkennen en hun ogen niet geloven. De politieke journalist in de Verenigde Staten torent al lang niet meer boven de samenleving uit, zoals ook de politieke journalistiek die in 1973 en '74 bijdroeg aan de val van een corrupte president al lang niet meer bestaat.

Dat is voor een belangrijk deel het gevolg van de opkomst van nieuwe grootheden in de communicatietechnologie. Die hebben de rangorde onder de traditionele media in de jaren negentig ingrijpend veranderd. Door het succes van die nieuwe media - Internet, de all-news-channels, nieuwskanalen die 24 uur onafgebroken op de kabel uitzenden en talk radio - hebben de kranten, de nieuwsweekbladen en de gevestigde televisiemachten NBC, CBS en ABC in de VS terrein en invloed, maar ook kwaliteit verloren. De journalistiek die Woodward en Bernstein in de jaren zeventig beoefenden, bestaat niet meer. Volgens de normen die zij hanteerden, is de huidige journalistiek gedenatureerd en afgezakt tot een bedenkelijk niveau. De berichtgeving over de avonturen van president Clinton en de stagiaire Lewinsky vormt daarvan een sprekende illustratie.

Zelden zijn in de geschiedenis van de pers zoveel hele en halve waarheden verspreid als over deze zaak. Zelden is de meningsvorming over de wandaden van een president zo door geruchten vervuild. Enkele van die geruchten zijn later juist gebleken, van een aantal is echter nooit een spoor van waarheid gevonden. Zelden ook heeft de pers zo ernstig haar onafhankelijkheid tegenover de machten van de politiek verzaakt en zich zo schaamteloos schuldig gemaakt aan schoothondengedrag tegenover de openbare aanklager Kenneth Starr.

Woodward en Bernstein, inmiddels gezeten vijftigers die in het management van hun vak zijn beland, tellen nog wel mee, maar hun gloriejaren zijn voorbij. De diepgravende onderzoeksjournalistiek die hun naam vestigde, is weliswaar object van persgeschiedenis geworden, maar praktisch uitgestorven. Bob Woodward schrijft nog wel voor de Washington Post en Carl Bernstein is news consultant voor CBS, maar de trots waarmee zij in de jaren zeventig hun journalistieke vaandels droegen, voelen zij al lang niet meer. Het zijn angry old men geworden die bij gelegenheid bouderend op de televisie verklaren dat ze nog maar weinig op hebben met de tegenwoordige sleutelgatjournalistiek.

De kruistocht van Woodward en Bernstein tegen het machtsmisbruik waaraan de regering van Nixon zich te buiten ging, leent zich als historisch ijkpunt voor de revolutionaire veranderingen die zich in de Amerikaanse mediawereld hebben voltrokken. In de dagen van Watergate was het leven van de Amerikaan nog overzichtelijk: 's ochtends las hij de New York Times of the Wall Street Journal, 's avonds keek hij naar een van de drie televisiestations, die in die tijd pas om zeven uur met het nieuws van die dag begonnen. De kranten beheersten de wereld van het gedrukte woord en de 'Grote Drie' beheersten de wereld van het beeldscherm.

De opkomst van de kabeltelevisie doorbrak die hegemonie en gaf de kijker praktisch van de ene dag op de andere schier eindeloze keuzemogelijkheden. CNN en de all-news cable-channels veroverden een groot deel van de kijkers. Daarmee dwongen ze de drie oude bolwerken ABC, NBC en CBS tot een radicale koerswijziging, die de oorzaak zou worden van de crisis die ze nu doormaken. Plotseling kwamen overal nieuwsprogramma's tevoorschijn en was de televisie de hele dag en op alle kanalen gevuld met nieuws. De persdienst van het Witte Huis, sinds jaar en dag gewend aan twee deadlines (een voor de pers en voor de televisie) moest ineens met zestien deadlines per dag rekening houden om al die wisselende en uiteenlopende belangen van duizend-en-een nieuwsuitzendingen te dienen.

Er is lang niet voldoende nieuws om al die kanalen met nieuws te vullen, maar daar maalt de nieuwsindustrie van de Amerikaanse televisie niet om. Zolang er zendtijd is wordt er zendtijd gevuld, al is het tien keer per dag met hetzelfde. Het ochtendnieuws waarin de voorzitter van de justitiecommissie van het Huis van Afgevaardigden tegen de zoveelste afwijzende opiniepeiling over een impeachment ingaat en volhoudt dat het recht zijn loop moet hebben, wordt de gehele dag afgedraaid en in de late avondjournaals nog eens vrolijk gerecycled. Niet iedereen vindt dat een nadeel. Professor Tom Goldstein, deken van de Graduate School of Journalism van de Columbia Universiteit in New York, vindt dat eerder een voordeel en in geen geval iets dat de gemoedsrust van een mens kan ondermijnen. “Als je 's ochtends vroeg naar het early morning news kijkt, kan je rustig aannemen dat je dat in dezelfde vorm weer in het avondnieuws kan zien”, zei hij vorige week. “Dat krijg je dus als je zoveel nieuwsprogramma's hebt en er zo weinig nieuws is. Het voordeel daarvan is dat je nooit iets mist.”

De nieuwskanalen die 24 uur aan één stuk nieuws uitzenden, en dus voortdurend tot het uitzenden van hetzelfde nieuws gedwongen zijn, hebben een nieuwshonger opgeroepen die elke dag moet worden gestild. Dat leidt niet alleen tot eindeloze herhalingen, maar vooral tot verwatering van het nieuws. In de 24-uurs economie van de nieuwsindustrie staat de moordende concurrentie geen enkele verslapping toe, wat een groot deel van de nieuwsproductie een overspannen opgeblazenheid geeft. Aangezien het nieuwsaanbod doorlopend aan de magere kant is (doordat de Amerikaanse televisie grotendeels aan het internationale nieuws voorbijgaat) vluchten de televisiemaatschappijen in geestloze surrogaten. Met praten vullen ze de gaten op.

De patentoplossing die alle televisiestations daarvoor hebben is de talkshow. Bernstein noemt het, met de mimiek van iemand wie het bijna teveel wordt: “Babble! Babble! Babble!” Ofwel: “Praten bij gebrek aan feiten”. De news consultant van CBS zal het er bij zijn eigen werkgever moeilijk genoeg mee hebben, want die doet in babble/babble niet voor de concurrentie onder. Alle Amerikaanse televisienetten en kabelzenders zijn vergeven van (goedkope) talkshows, die overal op grond van kostenbezuinigingen in de budgetten van de nieuwsprogramma's de (aanmerkelijk duurdere) reportages hebben verdrongen. Tussen juni en september van dit jaar stond de nieuwsstroom over het onderzoek in de zaak-Lewinsky (sinds januari het belangrijkste onderwerp op de Amerikaanse televisie) goeddeels stil, maar dat was voor de televisiekanalen geen aanleiding de praatprogramma's ook stil te zetten. “Televisiemakers gaan gewoon door hun programma's te maken, zeven dagen per week, ook als er in het geheel geen schot in het verhaal zit. Deden ze het nu wel of niet met elkaar? Of deden ze het misschien niet helemaal? Als je daar elke dag over blijft praten (met telkens 'andere' invalshoeken en telkens wisselende 'deskundigen') en je doet dat in een zogenaamd nieuwsprogramma dan hanteer je tenslotte wel een bizarre definitie van nieuws.”

Carl Bernsteins compaan Bob Woodward had zijn eigen ervaringen met het geruchtencircuit. Hij werd zelf het voorwerp van speculaties over een 'explosief verhaal' over de Lewinsky-zaak dat hij onder handen had, maar niet zou publiceren. Journalisten van andere media wilden van hem weten wanneer hij tot publicatie zou overgaan, al wist niemand wat hij eventueel zou publiceren. Het slot van het liedje was dat zijn beslissing over al dan niet publiceren plotseling een 'grote kwestie' in de media werd. Hij spuide daarover zijn gal in de Post van 5 september jl. “Als er geen verhaal is, gaan we praten over het verhaal dat in de maak is, in de hoop dat het verhaal dan vanzelf zal komen. Zo vullen we het vacuüm met een verwachting.”

Sinds de amoureuze geheimen van president Clinton het politieke nieuws over het Witte Huis domineren, hebben de Amerikaanse media van vele kanten kritiek uitgelokt zowel door hun onnauwkeurige als door hun vooringenomen, tegen Clinton gerichte berichtgeving. Mijn eigen waarneming de afgelopen maand in New York is dat de Fourth Branch of Government in de vorm waarin die op televisie opereert, zijn naam als waakhond van de democratie niet waarmaakt. De meeste journalisten die erin verschijnen, zijn pseudo-cabaretiers (zoals de alomtegenwoordige ex-presidentskandidaat Patrick Buchanan) die debatteren beschouwen als een politiek ringsteken, maar intussen niet toekomen aan het analyseren en becommentariëren van regeringspolitiek. Slechts enkele van die tientallen commentatoren die dagelijks uit Washington op de televisie te zien zijn, etaleren kennis waar een kijker wijzer van wordt. Het zijn in meerderheid Clinton-haters, die bij het vingerknippen van de gespreksleider opvliegen om als een politieke lynch mob op de keel van de president af te vliegen. De grootste politieke zwijnenstal waar miljoenen Amerikanen wekelijks naar kijken, is een 'nieuwsshow' geheten The McLaughlin Group, zo genoemd naar de voorzitter, een narcistische schreeuwlelijk die bijna stikt in zijn afkeer van het Amerikaanse staatshoofd. In dat programma worden zonder weerwoord de meest onbedaarlijke dingen over de president gezegd.

De mediakritiek in de wetenschappelijke pers, maar ook die in de kranten zelf, heeft zich de afgelopen maanden vooral gestoord aan het dubieuze gehalte van de berichtgeving over de Lewinsky-affaire in de serieuze pers. Howard Kurtz, mediarecensent van de Washington Post, signaleerde in zijn krant van 14 september jl. de verbazingwekkende omloopsnelheid van een overal ter wereld geciteerd gerucht over de vermeende seksuele contacten tussen Clinton en Lewinsky. Het was op 26 januari gelanceerd door de Dallas Morning News, een van de grote Amerikaanse kranten. Die baseerde zich op mededelingen van een functionaris van de veiligheidsdienst van het Witte Huis, die bereid was te verklaren dat hij Clinton en Lewinsky in actie had gezien “in een compromitterende positie”.

De ooggetuige in kwestie moet nadat hij uit de school klapte van de aardbodem zijn verdwenen: in het Starr-rapport is geen spoor van hem te vinden en men kan er zeker van zijn dat de openbare aanklager zich deze gebraden duif niet had laten ontgaan als er maar een woord van waar was geweest.

Howard Kurtz heeft alle bronnen nagelopen: de ongenoemde bron van de Dallas News was de vroegere federale officier van justitie Joe diGenova, die het verhaal had gehoord van zijn vrouw, medefirmante op zijn advocatenkantoor, die het weer had gehoord van een als 'tussenpersoon' omschreven kennis van de desbetreffende beveiligingsfunctionaris. Het ging dus om een gerucht uit de vierde hand. Mevrouw diGenova had de krant nog gewaarschuwd het niet te publiceren toen de 'tussenpersoon' terugkrabbelde, maar toen was het kwaad al geschied. Intussen zou het gerucht een eigen, buitengewoon hardnekkig leven gaan leiden, dat het in de talkshows goed zou doen en McLaughlin c.s. wekenlang bezig zou houden.

Het Internet heeft dankzij Lewinsky zijn doorbraak beleefd als supersnelle bron van nieuwsdocumenten (ironisch genoeg met de verspreiding van het Starr-rapport), maar heeft tegelijk zijn gevaren voor de betrouwbaarheid van nieuws bewezen. Verantwoordelijke journalisten hebben dat - na hun vingers eraan te hebben gebrand - intussen afdoende onderkend, maar niemand weet nog een oplossing voor het aparte beheersprobleem dat het weekblad Newsweek ermee te stellen heeft gehad. Newsweek beschikte al in januari over aanwijzingen dat Monica Lewinsky tegenover haar 'vriendin' Linda Tripp zou hebben verklaard, dat zij 'in opdracht van Clinton' over haar liefdesrelatie met de president had gelogen. Hoewel het blad die aanwijzingen besloot voor zich te houden, omdat het de feiten te mager vond, kwamen ze bij stukken en beetjes toch in omloop, als gevolg van een ongecoördineerde voortvarendheid van de eigen website-redactie. Wat de leiding van het blad dus niet rijp voor publicatie vond, werd door anarchie van een eigen buitengewest even goed op straat gebracht.

Fact-checking is in de heksenketel waarin de oude en de nieuwe media elkaar verdringen, het kind van de rekening geworden. De politicologen Richard Davis en Diana Owen, respectievelijk hoogleraar aan Brigham Young University en Georgetown University, geven daarvan een klinische verklaring in hun studie New Media and American Politics (Oxford University Press, 1998). De methode om feiten op meer dan één plaats te verifiëren, de zgn. multiple source rule die altijd journalistieke praktijk is geweest, is volgens hen bij de televisie gesneuveld in de vaart der technologische ontwikkelingen. In een tijd waarin het nieuws rechtstreeks van de bron in een uitzending wordt gepresenteerd (real time news) gunt de televisiejournalistiek zich daarvoor niet meer de tijd.

“Televisie-verslaggevers moeten hun nieuws vaak rechtstreeks in de uitzending brengen. Ze moeten het dan hebben van hun tegenwoordigheid van geest en zijn aangewezen op hun eigen onmiddellijke en inderhaast bijeengeraapte waarnemingen. De meesten vertrouwen dan op snelle, ter plaatse gehouden interviews met getuigen en zelfs op geruchten als aanvulling op het beeld”, aldus Davis en Owen. Volgens de twee professoren zal dat steeds vaker voorkomen. “De nieuwe technologie werkt de verspreiding van geruchten en (bewust verspreide) 'misinformatie' in de hand. Het Internet biedt een weelde aan informatie die geschikt is als nieuwsmateriaal. Maar er is niets dat het in omloop brengen van onjuiste of valse informatie op het Internet kan verhinderen. Verslaggevers die het Internet gebruiken als bron kunnen onbewust meewerken aan de verspreiding van misinformatie via andere media. Als dat gebeurt, kan gerucht gauw voor feit doorgaan.”