AANGESTOKEN DOOR HET WIELERVIRUS

Hans van Bon (55) was lid van de hockeyclub toen Leon van Bon (26) lid werd van de wielerclub. De vader volgde en verruilde de elitesport voor de volkssport. Hij werd jurylid en microfonist. Morgen staat hij op de Cauberg, waar zijn zoon de basis wil leggen voor de wereldtitel. “Als er honderdduizend man langs de kant staan, pik ik zijn stem er zo uit.”

Leon van Bon behoort tot de meerderheid van Nederlandse beroepsrenners die om sportieve en financiële redenen in België woont. Zijn moderne villa in de buurt van Hasselt is vorige maand opgeleverd. De kopman van de Nederlandse WK-ploeg dweilt de benedenverdieping als zijn vader Hans door de nieuwbouwwijk komt aangereden. De hoofdonderwijzer uit Apeldoorn heeft tijdens de lange autorit vooral over de opvoeding van zijn vijf kinderen gesproken. “We hebben Leon nooit voorgetrokken. Als iemand mij feliciteerde met de overwinning van mijn zoon, vroeg ik altijd: welke zoon? De andere drie behaalden op hun manier ook overwinningen.”

In de woonkamer van zijn derde zoon praten we verder over winnen en verliezen. Hans van Bon, in wielerkringen beter bekend als Paulus de Boskabouter, toont zich een bevlogen supporter. Hij heeft zelf voornamelijk op een bakfiets gereden, met zijn kinderen voorop in een grote mand. Leon van Bon, zonder baard maar voorzien van dezelfde krullen als zijn vader, is een bescheiden en tegelijkertijd zelfbewuste sportman. “Hij kan zich heel goed focussen op een bepaalde wedstrijd”, zegt zijn vader, die zelf jarenlang in een veteranenelftal speelde bij hockeyclub Ares.

Hans: “Ik was niet iemand die na elke wedstrijd in het clubhuis bleef hangen, maar ik vond hockey een leuk spelletje om te doen. De oudste drie jongens waren ook een paar jaar lid. Ik lees in allerlei artikelen dat wij belachelijk werden gemaakt bij Ares, omdat we daar met een oude Ford Transit zouden hebben rondgereden. Dat is een geromantiseerd verhaal, want die gammele bus kreeg ik pas later. Maar ik droeg wel een baard en onze tweede zoon Jasper zag eruit als een meisje, met al dat lange haar.”

Leon: “Ik ben gaan fietsen omdat mijn broers gingen fietsen. Maar er was nooit rivaliteit. Dat werkt niet met wielrennen. Je moet je niet door een ander laten gek maken. Je moet je eerst op je eigen prestatie concentreren.”

Hans: “Het wielervirus is gekomen door hun grootvader. Die kocht een fietsje voor de oudste en daarna waren ze niet meer te houden. In 1980 zijn we met de hele familie naar de Ronde van Frankrijk gegaan. Leon zat de hele dag op een soort stenen poef, toen Joop Zoetemelk bijna zijn beroemde val maakte op de Galibier. 's Avonds hebben we daar een tentje opgezet, allemaal Raleigh-shirtjes aan, hartstikke leuk.”

Leon: “Dit jaar reden we in de Tour ook over de Galibier. Toen we langs het monument van Henri Desgrange reden, moest ik even aan die vakantie denken. Ik had toevallig een goede dag, dus ik had adem genoeg om herinneringen op te halen.”

Hans: “Thuis was het een bende met fietsen. Die krengen stonden zelfs in de huiskamer. We struikelden over de wielen en de trappers. Om naar het toilet te gaan, moest je de fietsen aan de kant zetten. Welke moeder vindt dat goed? Mijn vrouw was heel belangrijk achter de schermen. Zij accepteerde dat wij elke zondagochtend om half vijf naar Ahoy' gingen. We gingen zelfs gescheiden op vakantie. Ik ging met de mannen naar de plaats waar dat jaar het WK werd gereden: Stuttgart, Oslo of Benidorm. Zij met de jongste twee naar een rustige bestemming.”

Leon: “Toen ik veertien was, won ik 31 van de 32 koersen. Als ik niet won, had ik verloren. Toen heb ik serieus overwogen om te stoppen. Het jaar daarop ging ik naar de nieuwelingen, toen kreeg ik gelukkig meer tegenstand.”

Hans: “Onze oudste zoon Marco had meer potentie dan Leon. Alleen hadden zijn ouders nog geen sjoege van wielrennen. Toen Leon doorbrak, hebben wij meteen gezorgd voor goede trainers en goede fietsen. Hij mocht ons middenin de nacht wakker maken, we gingen overal met hem naartoe.”

Leon: “Na het atheneum heb ik bewust gekozen voor de sport en niet voor de studie. Ik wilde het drie jaar proberen. Ik kon altijd nog een boek ter hand nemen.”

Hans: “Als de kinderen gingen klagen dat anderen in hun wiel zaten, was mijn antwoord simpel: 'Niet zeuren maar gewoon harder rijden dan de rest.' En als je valt, moet je eerst je fiets pakken en doorrijden. Onze oudste zoon Marco viel een keer in Veenendaal, hij lag te kreperen in het ziekenhuis. Maar ik had geen medelijden. Zoiets hoorde bij het wielerproces.”

Leon (lachend): “Jij hebt makkelijk praten, jij kunt niet eens de Cauberg op.”

Hans: “Winnen werd een automatisme. De andere jongens geloofden er niet meer in als Leon de kleedkamer binnenkwam. Als hij een keertje goed had gereden maar niet had gewonnen, haalde ik bij de snackbar een grote sorbet. Anders niet, want dan waren de beker en de bloemen wel genoeg. Ik hield hem altijd mijn reistijd voor ogen. Ik ga niet 350 kilometer in de auto zitten, als hij even later de finish niet haalt. Dat is me overkomen in zijn eerste Ronde van Vlaanderen, de eerste klassieker die ik van dichtbij meemaakte. Wij zaten de hele dag in een café televisie te kijken bij de Muur van Geraardsbergen; Leon zat er tot het laatste moment in het peloton; maar toen wij gauw naar buiten liepen, bleek hij net te zijn afgestapt.”

Leon (lachend): “Opdracht van de ploegleiding. Ik moest mijn krachten sparen.”

Hans (serieus): “Ik was aanvankelijk niet blij dat Leon beroepsrenner werd. We hoorden allemaal verhalen over doping. Naarmate we ons meer verdiepten in de materie, zijn onze bezwaren verdwenen. Hij wordt heel goed begeleid bij Rabobank.”

Leon: “Ik word een beetje ziek van al die dopinggeruchten. Als je een allergische uitslag hebt, krijg je van de eerste de beste dokter in België een tube met cortisonenzalf mee. Dat spul hebben ze bij Cofidis gevonden en de kranten schrijven meteen dat er doping gevonden is. Belachelijk gewoon. Door al die onzin kwamen wij negatief in de publiciteit met de TVM-affaire.”

Hans: “De mensen willen rivaliteit zien. Wielrennen is de meest competitieve sport die er is. Een wedstrijd van zeven uur op een dag. Geen enkele sport duurt zo lang. In de wielersport zit het conflict opgeborgen.”

Leon: “De Tour was slopend, maar ik ben blij dat ik de Vuelta heb gereden. Onbewust zitten alle renners aan het eind van het jaar met de vakantie in de kop. In de Vuelta krijg je de vereiste trainingsarbeid automatisch op je bord.”

Hans: “Hij weet wat hij doet. Hij gaat heel kort rijden in Valkenburg.”

Leon (spottend): “Iedereen roept dat ik mijn kwaliteiten bevestigd heb in Hamburg. Het lijkt wel alsof ik me overal moet bewijzen. Vorig jaar op het WK, dit jaar in de Tour en nu weer in Hamburg.”

Hans (verbolgen): “Ik hoor dit verhaal vanaf zijn tiende jaar. Hij won bij de junioren en de nieuwelingen bijna alle wedstrijden. Telkens hield men een slag om de arm. Vreemd.”

Leon: “Ik heb veel te danken aan Rolf S/orensen. Hij bracht ons bij met zijn stokpaardje: save energy. In het begin van de koers bewust voorin aan de klim beginnen en achteraan eindigen.”

Hans (trots): “Dit jaar heb ik hem voor het eerst teruggezien zoals hij vroeger bij de junioren reed. Hij heeft natuurlijk niet stilgestaan, maar er zat geen demarrage in zijn carrière. In Parijs-Roubaix zag ik iets van een andere wereld.”

Leon: “Ik heb de tijd nodig, maar die geven journalisten je niet. De meeste renners zijn pas tegen hun dertigste aan hun top. Ik word nog elk jaar sterker, dat voel ik gewoon.”

Hans: “Leon is de minst onstuimige van de vijf kinderen. Maar hij komt de laatste jaren steeds meer voor zichzelf op. In het Holland House in Barcelona gaf hij Freek de Jonge nog een koekje van eigen deeg. Die had zogenaamd nog nooit van Leon gehoord, vóór zijn zilveren medaille op de puntenkoers. 'En wie ben jij dan wel', reageerde die kleine van mij. Schitterend! Hij is de laatste jaren in zijn voordeel veranderd. Daar hebben wij ook op aangedrongen. Als je veel wint, moet je veel interviews geven en dan kun je niet met je mond vol tanden staan.”

Leon: “Door onze mediatraining heb ik geleerd om een gesprek te sturen. Ik weet gauw welke de richting de vragen op gaan.”

Hans: “Ik bewaar alles van Leon: plakboeken, speldjes, rugnummers, deelnemerskaarten, maar ook modder uit Parijs-Roubaix. Toen hij daar voor het eerst reed, heb ik na afloop zijn schoenen gepakt en de modder in een plastic zak gestopt als souvenir. Dat was in 1994, toen hij drie kwartier na sluitingstijd over de streep kwam.”

Leon (nonchalant): “De eerste Parijs-Roubaix moet je altijd uitrijden.”

Hans: “Kennissen van ons vroegen waarom we niet in Pau waren, toen Leon die Touretappe won. Maar ik had nu eenmaal met mijn vrouw afgesproken. Die krijgt steeds vaker voorrang, ook omdat ze ziek is. We waren met een huifkar op vakantie in Drenthe. We hebben hem op de televisie zien winnen.”

Leon: “Wij hebben morgen het voordeel dat we een goede ploeg hebben. Wij kunnen wat herstellen, maar wij hebben ook meer concurrenten. Een eenling als Lance Armstrong hoeft niks te herstellen. Hij is de underdog en kan de renners uit België, Italië en Nederland het vuile werk laten opknappen.”

Hans: “De Cauberg is een herhaling van een probleem, heel anders dan een klassieker. In mijn optiek is Leon de laatste jaren een stuk beter gaan klimmen. Had ik nooit verwacht. Hij kon in Hamburg blijven zitten, terwijl hij bij het WK in San Sebastian nog uit het zadel moest.”

Leon (peinzend): “De Cauberg hangt er net tussenin. De klimmers kunnen hem aan en de renners die op de macht naar boven rijden. Ik heb het nadeel dat de andere favorieten ouder zijn, meer ervaring hebben. Zij kunnen de koers net iets beter lezen.”

Hans: “Vorm is een kwestie van de werking aan je hersenschors. Je moet zorgen dat er niet te veel druk en spanning om je heen is.”

Leon: “Als je wint is het leuk dat je vader erbij is. Ik weet precies waar hij gaat staan op de Cauberg. Als er honderduizend mensen staan, pik ik zijn stem er zo uit.”

Hans: “Het wordt daar zo hectisch, dat ik er eigenlijk weinig trek in heb. Bij het NK kreeg ik het ongelooflijk aan de stok met zo'n veiligheidsman. Ik mocht er niet langs, ik had waarschijnlijk beter kunnen zeggen dat ik de vader van Leon ben. Maar zo arrogant ben ik niet.”

Leon: “Hij staat er morgen, wees maar niet bang.”