Zonder schoenen over schorpioenen; Jacques Brel (1929-1978)

Johan Anthierens: Jacques Brel. De passie en de pijn. Veen, 285 blz. ƒ 34,90 Mohamed El-Fers: Brel. Jan Mets/Scoop, 128 blz. ƒ 25,-

In de lente van 1967, drie jaar na de dood van zijn ouders en vlak voordat hij definitief zou stoppen met het geven van concerten, maakte Jacques Brel het testament op van zijn jeugd. In het venijnige chanson 'Mon enfance' schetste de zanger een somber beeld van een jongetje dat verstikt werd door de 'grauwheden en stiltes' van zijn ouderlijk huis. Temidden van 'zwijgende en bezonnen Vlamingen' ging hij als een schim door het leven - dromend van China en het Wilde Westen, maar klein gehouden, kort gehouden en verkrampt door frustratie: 'mijn volgevreten ooms hadden mij het Verre Westen ontstolen.' En toen hij zich als beginnende puber eindelijk aan het milieu van zwarte kleren en verschaalde tabaksrook begon te ontworstelen, brak de oorlog uit en kon hij zijn jeugd voorgoed vaarwel zeggen.

Jacques Brel, vandaag precies twintig jaar dood, zette littekens om in liedteksten, schrijft de Vlaamse journalist Johan Anthierens in het deze week verschenen boek dat hij aan de Frans zingende Belg wijdde. En de eerste wond die Brel opliep was een kleinburgerlijke jeugd waarin verbeeldingskracht werd ontmoedigd. Als volwassen man en als succesrijk chansonnier zou hij daar telkens op terugkomen: in liedjes als 'Sur la place' en 'Ces gens-là', en in talrijke interviews. “Ik heb geen Far West gehad!” zei hij in 1964 met een verwijzing naar zijn favoriete metafoor voor de kindertijd. “Zij hebben mij die Far West wel eerst voorgelogen. (-) Wel echt bestaan de lopende band, de prikklok, de stoplichten, de ordehandhavers, gefileerde makreel en het pensioen na een leven van labeur.”

Het bestaan van de bekrompen burgerman was de in Brussel geboren Brel maar al te bekend. Na een moeizame schooltijd met slechte resultaten voor alle vakken behalve opstelschrijven en dramatische vorming, was hij op zijn negentiende begonnen op de afdeling golfkarton van de familiefabriek Vanneste & Brel; in 1950 trouwde hij met zijn eerste vriendinnetje Miche en anderhalf jaar later werd de eerste van drie dochters geboren. Uiteindelijk moest Brel een drastische stap nemen om te ontsnappen aan de Anderlechtse variant van huisje-boompje-beestje: met een handvol zelfgeschreven chansons vertrok hij in zijn eentje naar Parijs, waar hij sappelend in de cabarets langzaam naam maakte. Binnen drie jaar was hij bevriend met Juliette Gréco en de arrangeur Georges 'Jojo' Pasquier, en kon hij behalve op een geflopte 78-toerenplaat bogen op de eerste van een reeks hits: 'Quand on n'a que l'amour'. Zoals Anthierens opmerkt in zijn barok gestileerde Brel-boek: 'Het gebeurt niet vaak dat een sterveling zo doortastend de klei uit handen van een eventuele Schepper overneemt en zichzelf herkneedt.'

Flaminganten

'The child is father of the man' luidt het van Wordsworth geleende motto van Anthierens' lang verwachte (want al tien jaar geleden aangekondigde) Jacques Brel: De passie en de pijn. Niet alleen Brels haat tegen de bourgeoisie is op zijn jeugd in het Brussel van de jaren dertig en veertig terug te voeren, ook een paar andere pijlers van zijn bijna tweehonderd chansons tellende oeuvre. Zo gaat Anthierens uitgebreid in op Brels haat-liefde verhouding met (West-)Vlaanderen, het land waar zijn vader vandaan kwam, maar waarmee hij zich als 'flamand d'expression française' nooit vereenzelvigde; het land dat hij vereeuwigde in idealiserende ballades als 'Marieke' en 'Le plat pays', en in venijnige aanvallen op nationalistische flaminganten in 'La...la...la...' en 'Les F...' ('nazi's in de oorlogen en katholieken ertussen').

Daarnaast is er in De passie en de pijn ook veel aandacht voor Brels houding tegenover de vrouw: in het ene lied bewonderend, soms op het slaafse af (denk aan de minnaar in 'Ne me quitte pas' die zijn geliefde smeekt om 'de schaduw van haar hond' te zijn), in het volgende afwerend en beledigend. Volgens Anthierens, die zijn argumentatie put uit de vele interviews die Brel in zijn leven gaf, is Brel zijn leven lang bang geweest voor vrouwen omdat hij als slachtoffer van een ongemengd schoolsysteem tot zijn 21ste - toen hij als maagd in het huwelijk trad - zelden met ze in aanraking was gekomen. Anthierens onderstreept dat Brel altijd een man voor mannenvriendschappen zou blijven, zoals maar al te duidelijk wordt uit de rauw-seksistische tekst van 'Jef'. Naast zijn vrouw Miche, van wie hij nooit zou scheiden, hield Brel er verschillende vrouwen op na; de werkelijke trouw bewaarde hij voor vrienden als 'Jojo' en zijn pianist Gérard Jouannest. Alleen zijn laatste vriendin Maddly Bamy wist hem op het eind van zijn leven, toen hij leed aan longkanker, aan zich te binden. Met haar trok Brel zich terug op het Frans-Polynesische eiland Hiva Oa, dat hij alleen nog zou verlaten om zijn laatste plaat op te nemen (B.R.E.L., 1977) en om zichzelf een jaar later te laten opnemen in het ziekenhuis van Bobigny, waar hij op 9 oktober 1978 zou sterven.

In De passie en de pijn, nadrukkelijk niet gepresenteerd als een conventionele biografie, probeert Johan Anthierens te analyseren wat het werk van Jacques Brel zo uniek maakt; het beste hoofdstuk van het boek is dan ook gewijd aan een goed geschreven thematische analyse van Brels beste teksten (voorzien van mooie prozavertalingen), die behalve over vrouwen en Vlaanderen vooral over het verlangen naar (en de angst voor) de dood gaan.

Moenie weggaan

Maar Anthierens doet meer. In het hoofdstuk 'De eretitels' drukt hij vijftien naar zijn mening essentiële Brel-teksten af, plus de Nederlandse, Engelse, Friese, Zuid-Afrikaanse en Kruishoutemse vertaling van 'Ne me quitte pas' ('Laat me niet alleen', 'If You Go Away', 'Leafste bliuw by my', 'Moenie weggaan nie', 'Ga niet weg bij mij'). In het hoofdstuk 'Brel uit eerste bron' verzamelt hij twee dozijn korte en lange interviewfragmenten. In 'Het antwoord van Marieke' publiceert hij een interview met de vrouw die naar haar eigen zeggen model stond voor de door Brel bezongen geliefde 'tussen de torens van Brugge en Gent'. En in 'Op een kruimel in de oceaan' schrijft hij een sympathiek maar enigszins overbodig verslag van zijn reis naar het Markiezen-eiland in de Stille Oceaan waarop Brel zich in 1975 terugtrok en waar hij naast Paul Gauguin begraven ligt.

Het is een leesbaar maar wonderlijk allegaartje, De passie en de pijn - door de uitgever voorzien van de aanbeveling 'eerste grote Nederlandstalige boek over Brel'. Dat laatste klinkt wel erg optimistisch, want er is veel dat bij Anthierens ontbreekt: van een serieus biografisch essay en een muzikale analyse van de chansons, tot een adequate inventarisatie van de invloed die de 'hemelbestormer' heeft uitgeoefend op collega-chansonniers en popmusici als Bob Dylan, David Bowie, Marc Almond en Gavin Friday. Maar Anthierens' enthousiasme, zijn kennis van zaken en zijn bloemrijke stijl maken veel goed. Wie niet onder de indruk is van de getrokken parallellen tussen het werk van Brel en dat van Constant Permeke (de West-Vlaamse tableaus), Jan van Eijck (het fijnschilderen van mijmerende vrouwen), Ida Gerhardt, Hugo Claus en Paul Gauguin, geeft zich wel gewonnen aan beeldende zinnen als 'in [Brels] leven loopt de liefde op lompen' of “Ne me quitte pas' is zonder schoenen aan over schorpioenen lopen.'

Striptease-tent

Daarbij komt dat ter gelegenheid van Brels twintigste sterfdag ook een 'normale' Nederlandse Brel-biografie te koop is die het boek van Anthierens uitstekend aanvult: Mohamed El-Fers' Brel, dat in een beknoptere versie tien jaar geleden verscheen als 'Passatempo Minibiografie'. Op basis van onder meer interviews met broer en dochter Brel en Liesbeth List schetst El-Fers het volle leven van Jacques Romain Georges Brel, van zijn geboorte op 8 april 1929 (het jaar dat Simenon zijn eerste roman schrijft en Hergé zijn eerste Kuifje tekent) tot zijn dood door longembolie op 49-jarige leeftijd. Hij noemt de adressen waarop Brel woonde, de scholen die hij bezocht, de plaatsen die hij aandeed op zijn huwelijksreis, zijn Nederlandse concerten, de redenen waarom hij - net als de Beatles een jaar eerder - in 1966 besloot om te stoppen met optreden (podiummoeheid en leverproblemen), en zelfs de tegenwoordige verschijningsvorm van de clubs waarin Brel groot werd ('Les Trois-Baudets is nu peepshow annex stripteasetent (-), l'Echelle de Jacob is een sm-bar voor leernichten').

El-Fers' biografie is het alleen al waard om gelezen te worden omwille van de hilarische reconstructie van Brels laatste optreden in Nederland, voorjaar 1964. In opdracht van de VPRO-televisie gaf de wereldberoemde chansonnier toen een concert in een Bergens restaurant, dat de gasten had verplicht tot de afname van een diner van reerug en kikkerbilletjes. Na een uur zingen tegen de achtergrond van serviesgerinkel fulmineerde Brel dat hij nooit meer 'in de provincie in zo'n kuttent voor dove ouwe taarten' zou optreden. Brels Nederlandse vertaler Ernst van Altena vertelde El-Fers later dat Brel van de VPRO als aardigheidje een enorme, platte kaas had gekregen: “Jojo zat aan het stuur van de zwarte DS, met naast zich een tierende Brel met die kaas op zijn knieën.” Brels tirade, zo meldt El-Fers, stopte pas toen Van Altena afscheid nam met de welgemeende woorden: 'Alors Jacques, bon fromage.'

Minder dan een maand na zijn traumatische bezoek aan Holland baarde Brel opzien met 'Amsterdam', een vilein portret van de verloederde havenstad aan de Amstel. Het is dat het nummer al een jaar eerder door Brel was gecomponeerd - anders was het het zoveelste bewijs voor Anthierens' stelling dat bij Brel ieder litteken uiteindelijk werd omgezet in een liedtekst.