Vriendschap op zoek naar een ziel; Brieven van Brentano en Von Arnim

Achim von Arnim und Clemens Brentano: Freundschaftsbriefe. Vollständige kritische Edition von Hartwig Schultz. Eichborn Verlag, 2 delen, samen 963 blz. ƒ 66,70 per deel

De beste manier om een vriendschap te onderhouden is samen iets te maken. Bij Clemens Brentano (1778-1842) en Ludwig Achim von Arnim (1781-1831) werd het een bloemlezing van Duitse volksliedjes, die als Des Knaben Wunderhorn de literatuurgeschiedenis is ingegaan. Het eerste deel verscheen in 1805 en kreeg meteen een enthousiaste recensie van Goethe. 'Van rechtswege zou dit boekje in elk huis waar frisse mensen wonen te vinden moeten zijn, bij het venster, onder de spiegel, of waar gezang- en kookboeken anders plegen te liggen', schreef de dichtervorst uit Weimar, aan wie de bloemlezing overigens in bewondering was opgedragen.

Arnim en Brentano hadden al vaker iets samen willen ondernemen. In hun correspondentie, nu onder de titel Freundschaftsbriefe voor het eerst in haar geheel uitgegeven, wemelt het van de plannen die nooit zijn uitgevoerd. Het meest bescheiden is nog het voornemen hun eigen gedichten te publiceren in een bundel die Lieder der Liederbrüder had moeten heten. De andere plannen zijn bijna alle zo geweldig en fantastisch dat het geen wonder mag heten dat er niets van terecht kwam.

Nu eens gaan de gedachten uit naar een 'Schule der Dichtkunst', dan weer dromen de beide vrienden ervan zich terug te trekken in een klooster bij Avignon, om vandaaruit leerlingen als 'profeten' uit te zenden naar het vaderland. Groot enthousiasme bij Arnim wekt het plan van Brentano om een geheim bondgenootschap op te richten, naar model van de 'Gekkenorde' van Adolf van Cleve uit de veertiende eeuw. De gezworenen zouden zich onder meer moeten bezighouden met het bevorderen van de 'goddelijke waanzin' en het bestrijden van de 'filosofische pedanterie'. Bij wijze van aanvulling stelt Arnim voor tweejaarlijkse 'Sängerfeste' te organiseren op de Wartburg, compleet met 'dichterherbergen' waar verzen als papiergeld zouden dienen. Ook moest er een nieuw Duits schrift worden ontwikkeld dat een terugkeer zou betekenen van de hiëroglyfen, maar dan 'van een hogere orde'.

Het bleef uiteindelijk bij die ene bloemlezing, waaraan nadien - in samenwerking met de gebroeders Grimm - nog twee delen werden toegevoegd. Maar ook daarvan was de ambitie niet gering, zoals blijkt uit Arnims essay 'Vom Volksliedern' dat aan het eerste deel was toegevoegd. Met de herdichte, aan eigentijdse smaak aangepaste en soms zelf verzonnen volksliedjes hoopte hij niets minder dan een regeneratie van de Duitse Geist te bewerkstelligen, die in het slop was geraakt doordat de 'geleerden' zich met hun gekunstelde taal volledig van de volkspoëzie hadden vervreemd.

Volksgeist

Des Knaben Wunderhorn kwam aldus tegemoet aan een verlangen dat al in de achttiende eeuw was geuit door de filosoof Herder, zelf samensteller van een internationale bundel Volkslieder, die aan het slot van zijn opstel over Ossian (1773) had opgeroepen de oude volkspoëzie te verzamelen omdat daarin de oorspronkelijke Volksgeist het best bewaard zou zijn gebleven.

Met Herder begon het romantische Duitse nationalisme, waaraan de bloemlezing van Arnim en Brentano het nodige heeft bijgedragen. Maar door de politieke motieven heen schemert toch ook altijd de vriendschap, die aan een meer particuliere behoefte beantwoordde. Niets maakt dat zo duidelijk als hun correspondentie, die vrijwel onmiddellijk begon nadat zij elkaar in 1801 als studenten in Göttingen hadden ontmoet. Het was een vriendschap die zich in hun brieven op een geëxalteerde wijze vermengt met hun liefde voor de poëzie.

'Wanneer ik het wezen van jouw poëzie beschouw, en mijn gevoel voor jou, jij wezen van alle poëzie, dan is het net alsof je mijn geliefde bent', schrijft Brentano in 1803 aan zijn vriend. Tussen vriendschap, liefde en poëzie blijkt nauwelijks verschil te bestaan. Daarin verraadt zich de invloed van de eerste Duitse romantici, de vriendenkring van Novalis, Schleiermacher en de gebroeders Schlegel en hun vrouwen, waarmee Brentano vlak vóór de eeuwwisseling in Jena had kennisgemaakt.

In Athenäum, het beroemde tijdschrift van deze kring, mijmert Friedrich Schlegel bijvoorbeeld over een 'nieuwe periode in de wetenschappen en de kunsten' die zou aanbreken dankzij een 'Symphilosophie' en een 'Sympoesie'. Filosofen en dichters moesten collectief schrijven, elkaar aanvullend waar dat nodig was. 'Vaak kan men zich niet aan de gedachte onttrekken', merkt Schlegel op, 'dat twee geesten eigenlijk bij elkaar horen, als gescheiden helften, en dat zij pas in onderlinge verbinding zijn wat zij kunnen zijn'.

In hoeverre Arnim en Brentano werkelijk twee 'gescheiden helften' zijn geweest, blijft twijfelachtig. Daarvoor waren de verschillen tussen de koopmanszoon uit Frankfurt en de Pruisische Junker uit Berlijn toch wat al te groot. Maar dat zij bij elkaar hoorden, daarvan waren zij allebei heilig overtuigd. In hun correspondentie wordt die verbondenheid, op vaak pathetische wijze, voortdurend uitgesproken. Vooral Brentano, worstelend met twijfel aan eigen talent en levenskracht, kan niet zonder de loyaliteit en de affectie van zijn vriend. Meer dan eens biedt hij zich aan als diens 'bediende'; hij zou zich volledig aan de ander ondergeschikt willen maken, onder het motto: 'ik wil in jouw leven leven'.

Maar ook Arnim, onmiskenbaar evenwichtiger van karakter, blijkt niet ongenegen zich aan zijn vriend ondergeschikt te maken. Na van Brentano's brieven gezegd te hebben dat ze hem uit de slaap houden 'als een vrouw wanneer men met haar moet slapen', roept hij uit: 'O dichterlijke dienaar, jij tweede Jacques le fataliste, de laarzen die jij voor mij poetst zouden in de tempel van de poëzie moeten worden opgehangen en ik ging ondertussen blootsvoets, en tenslotte zou ik jouw liefdesbrieven moeten bezorgen, en jij gaf mij als dank verwelkte rozenblaadjes'.

Reisbibliotheek

Vreemd genoeg komen de beide vrienden nergens op het idee om hun briefwisseling te publiceren, zoals Brentano's jongere zusje Bettina later zou doen met hún correspondentie. Wel overweegt Brentano op zeker moment de brieven van Arnim te laten inbinden, om er zijn 'reisbibliotheek' van te kunnen maken. Maar die zou ongetwijfeld alleen tot eigen gebruik beperkt zijn gebleven. De brieven op zichzelf waren kennelijk voldoende - als een eiland, omringd door een vaak grimmige buitenwereld, waarop hun vriendschap zich ongehinderd kon ontplooien.

In feite bestond die vriendschap vooral in en dankzij de brieven die zij elkaar schreven. Afgezien van een boottocht op de Rijn in 1802 en de tijd waarin zij te Heidelberg aan Des Knaben Wunderhorn werkten, hebben Arnim en Brentano zelden samengeleefd. De eerste jaren van hun vriendschap maakte Arnim een soort Grand Tour door Europa, terwijl Brentano achterbleef in Duitsland, waar hij in 1803 trouwde met de zeven jaar oudere Sophie Mereau. Na haar dood in 1807 en na een kort maar onstuimig huwelijk met de 17-jarige hysterica Auguste Bussmann, was het Brentano die voortdurend van plaats veranderde, terwijl Arnim zich vestigde in Berlijn en op het landgoed Wiepersdorf, dat hem per testament toeviel nadat hij in 1811 met Bettina Brentano in het huwelijk was getreden.

De meest hartstochtelijke brieven werden uitgewisseld in de beginjaren, de jaren van de grootse plannen en van een ongebreideld geloof in de poëzie. De poëzie was de atmosfeer waarin deze jonge dichters leefden en ademden. In Arnims brieven verandert het proza soms in rijmende versregels, hun correspondentie staat vol met gedichten, en Brentano heeft het gevoel 'slechts een object van de poëzie' te zijn. Hun vriendschap is in zijn ogen dan ook geen 'mensenwerk', maar een 'natuurproduct', net als alle echte poëzie. Elk gedicht, schrijft hij elders, is 'slechts een historisch brokstuk van een hogere natuureenheid'. Volgens deze opvatting wordt de vriendschap vanzelf een vorm van - geleefde - poëzie, die in de correspondentie haar schriftelijke neerslag heeft gevonden.

De eerste jaren van de negentiende eeuw zijn echter ook de jaren van Napoleons veroveringen, die met name Arnim serieuze aanvallen van patriottische bevlogenheid bezorgen. De Duitsers zitten aan hun tafels zoals Odysseus in zijn met vreemde vrijers gevulde huis, schrijft hij aan Brentano, en hij voelt zich aan zijn adellijke afkomst verplicht om voor het vaderland in het strijdperk te treden. Brentano, die van zichzelf zegt 'geen vaderland' te bezitten, steunt hem in zijn politieke ambities, het zou goed zijn als zijn vriend de nationale dichter van Pruisen werd. Maar wanneer Arnim in 1806 ook de daad bij het woord wil voegen, door dienst te nemen in het Pruisische leger, houdt hij hem voor: 'Word geen soldaat in een tijd die geen echte soldaten meer kent, o blijf de onzichtbare kerk van de kunst trouw (...) Wees een mens hoog boven de tijd verheven en val niet in die ellendige strijd om een stukje land'.

Hooggestemd

Het eerste deel van Des Knaben Wunderhorn is dan al verschenen, mét het hooggestemde essay van Arnim over de regeneratie van de Duitse Geist dankzij de volkspoëzie. Uit Brentano's reacties op de militante vaderlandslievendheid van zijn vriend blijkt dat bij hem de nadruk altijd toch meer op de poëzie dan op de nationalistische ambitie heeft gelegen.

Het tekent het verschil tussen de beide vrienden, dat in de loop van de correspondentie steeds sterker naar voren zal komen. Arnim blijft in veel opzichten een Pruisische Junker, gehecht aan orde en traditie, wat zijn poëzie en zijn - schitterende - fantastische verhalen (die in de twintigste eeuw door de surrealisten zouden worden herontdekt) alleen maar raadselachtiger maakt. Brentano daarentegen is volledig de romantische dichter, voortdurend in gevecht met zijn eigen 'demon', een en al rusteloosheid en zelfverwijt.

Er valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat voor hem de vriendschap van veel groter levensbelang is geweest dan voor Arnim, die na zijn huwelijk met Bettina een gesettled leven gaat leiden, terwijl Brentano pas iets van innerlijke vrede krijgt als hij - in 1816 - terugkeert tot het katholieke geloof van zijn jeugd. Hij is het ook die in 1811, na voor de zoveelste keer in amoureuze intriges te zijn verdwaald, voorstelt om opnieuw samen te gaan wonen. Als een 'Janus' heeft hij altijd tussen Arnim en Bettina in gestaan - wat zou het hun schaden, zo schrijft hij, om 'mij arme verschoppeling in jullie poëtische nabijheid weer te verwarmen en tegen banaliteit te isoleren'?

Arnim wijst het voorstel resoluut van de hand. Het 'nomadische samenleven' van weleer past niet meer bij zijn huidige staat, en hij geeft zijn vriend de ironische raad zich ofwel te laten 'castreren' ofwel 'een mooie, rijke, liefdevolle, intelligente, vrolijke, jonge en nooit ouderwordende vrouw te trouwen, die in plaats van jouw staart de staart van een ster bekijkt, zodat jij rustig kunt slapen'.

Ondanks alle verschillen is het nooit tot een breuk gekomen. Ook het katholicisme van Brentano, dat hem in 1820 en 1824 verleidt tot twee lange brieven vol suikerzoete vroomheid waarin hij zijn vriend en zijn zuster poogt over te halen eveneens tot Christus in te keren, heeft daarin geen verandering gebracht. Op welke voet de vriendschap werd voortgezet, weten we overigens niet, want uit de jaren twintig zijn verder nauwelijks brieven bewaard gebleven. Maar dat ze er zijn geweest, staat vast, en dat toont aan dat het contact - tot aan Arnims dood in 1831 - nooit werkelijk is verbroken.

Romantiek heeft te maken met nostalgie. Nostalgie naar een 'gouden tijdperk', dat de romantici via de poëzie weer tot leven hoopten te wekken. Het was de droom van Novalis, het was - binnen een beperkter, nationaal verband - ook de droom van Arnim en Brentano, die met hun geactualiseerde volksliedjes de kloof tussen hogere en lagere cultuur trachtten te dichten, teneinde een werkelijk nationale, heden, verleden en toekomst omvattende cultuur mogelijk te maken. In werkelijkheid is het heel anders gelopen. Duitsland is niet, zoals Arnim in een van zijn grootse plannen schrijft, de 'bliksemafleider van de wereld' geworden maar eerder de bliksem die de wereld in brand heeft gezet - iets waar de enkele antisemitische oprispingen in deze Freundschaftsbriefe onbedoeld naar vooruitwijzen.

Toch is het moeilijk om ook bij de lectuur niet af en toe door nostalgie te worden bekropen. Uit deze brieven, met hun vaak ellenlange, over de pagina's kronkelende zinnen, spreekt zoveel liefde voor de poëzie, zoveel vertrouwen in de mogelijkheden van de literatuur, dat het je bijna onbehaaglijk stemt aangezien iets vergelijkbaars tegenwoordig ontbreekt. Met de Romantiek is de moderne literatuur begonnen, waarvan wij nu wellicht de nadagen beleven. Dat geeft deze voorbeeldige uitgave, waarin de brieven van Arnim blauw en die van Brentano rood zijn afgedrukt en die een plaats heeft gekregen in Die andere Bibliothek van Brentano-fan Enzensberger, onwillekeurig het karakter van een monumentale grafsteen.

Niemand die gelooft dat een boek als dit opnieuw de literatuur - laat staan de nationale Geist - zal bezielen, zoals Arnim en Brentano nog wel geloofden toen zij al die oude volksliedjes aan de vergetelheid ontrukten. Hun romantiek is definitief geschiedenis geworden, voortreffelijk geannoteerd en voorzien van een handzaam register. Maar wie even de steen oplicht, merkt onmiddellijk dat het er ooit heeft gebruisd van leven.