Vader Joyce was een nietsnut

John Wyse Jackson with Peter Costello: John Stanislaus Joyce, the Voluminous Life and Genius of James Joyce's Father. Fourth Estate, 494 blz. ƒ 37,60

De biografie van vader Joyce (18491931) is verplichte literatuur voor Joyceanen, toegewijde lezers van het werk van zoon James. Hun eigenaardigheid is dat zij alles willen weten van de personen, de gebeurtenissen en de huizen die James Joyce in gedachten had toen hij Dubliners en Ulysses en zijn andere boeken schreef. Zij zijn bereid dagenlang door Dublin te sjouwen en nog eens terug te komen voor Bloomsday (16 juni), de dag waarop Ulysses geacht wordt zich af te spelen.

John Stanislaus Joyce heeft weinig zichtbaars nagelaten in de stad. Zijn historische personage moet uit brieven en herinneringen gehaald worden, die soms perspectief bieden op de fragmenten van zijn leven in de romans van zijn zoon. Hij heeft niets tot stand gebracht voor eigen rekening. Het bescheiden familievermogen had hij al vroeg opgemaakt, met de banen en later klusjes die hij vervulde, ging altijd iets mis en hij verwekte behalve James nog veertien kinderen die hetzij jong stierven, hetzij op gespannen voet met hem stonden. Wel was hij zijn gezelschap waard in het café. Hij dronk geweldig, was een onderhoudende verteller die mensen onthullend goed na kon doen en had een veelgeprezen zangstem.

Zijn enige rol van historische betekenis is geweest dat hij onmisbaar was in het levensbeeld van zijn oudste zoon. Die had veel tegen hem en ging op zijn 22ste, in 1904, in Triëst wonen, ver van de dagelijkse ergernissen. De enige keer dat hij daarna in Dublin is geweest, in 1909, zong zijn vader hem aan de piano in een café buiten de stad de aria toe uit La Traviata waarin Alfredo aan zijn zoon vraagt om bij hem terug te keren. James zong aan een andere piano een passend antwoord. Na het bezoek in 1909 hebben zij elkaar niet meer gezien, maar James hechtte een intense betekenis aan de vader-zoon relatie.

Wie het werk van James Joyce zo goed mogelijk wil begrijpen, mag de rol van zijn vader erin niet negeren. Dat is nog niet hetzelfde als 400 pagina's lezen over die no-good. Wie wel eens in Ierland komt weet dat Dubliners, zonder bepaald al hun stadgenoten te kennen, alles van iedereen weten en altijd een kennis hebben die een niet-persoonlijk bekende op kan bellen. Zo'n onafzienbare kennissenkring hebben John Wyse Jackson en zijn medewerker Peter Costello ook onder de tijdgenoten van John Stanislaus Joyce. Zij weten alles van iedereen, niet alleen in Dublin, ook in de buurt van Cork waar de vorige generatie Joyces vandaan kwam. Zij vertellen waar al die mensen woonden en van wie zij de huwelijken en begrafenissen bezochten. Het is indrukwekkend, maar alleen lezers die er lijstjes van maken, zullen ze uit elkaar kunnen houden.

Anderen zullen erom moeten lachen en in het Ierse gedrang vader Joyce proberen te volgen. Als onderwerp voor een lange biografie is hij eigenlijk ongeschikt. Er is weinig over van de prachtverhalen die hij met vuur en uitdrukkingskracht aan de cafégangers van Dublin vertelde, en zijn klinkende zangstem is verstomd. Buiten het werk van zijn zoon neemt hij alleen vorm aan als een berooide, scheldende, dronken, onverantwoordelijke verongelijkte middenstander.

Het gebeurt nogal eens dat een lezer die een historische figuur uit de literatuur leert kennen, denkt dat dit inderdaad een bijzonder mens geweest moet zijn, maar waarschijnlijk prettiger om te ontmoeten op papier dan in levenden lijve. Met vader Joyce is het andersom. Wat een onvoldoende man, denkt de lezer. Laat hem liever terugkeren uit het graf, voor één avond in een café als wij toevallig ook in Dublin zijn: best mogelijk dat wij onbedaarlijk plezier zouden hebben.