Terracotta in een moordtempo; Snelheid in de kunst

Manzoni's blik met poep oogt sneller dan de houten auto van Le Corbusier. De Londense tentoonstelling 'Speed' toont de verbeelding van snelheid in de kunst.

De tentoonstelling Speed - Visions of an Accelerated Age is nog t/m 22 nov. te zien in de Whitechapel Art Gallery, 80 - 82 Whitechapel High Street, Londen (maandag gesloten). Een kleine aanvullende tentoonstelling is ingericht in The Photographers' Gallery, 5 Great Newport Street. Het boek bij de tentoonstelling, onder redactie van Jeremy Millar en Michiel Schwartz, is mede uitgegeven door het Vormgevingsinstituut, Amsterdam. Speed op internet: www.photonet.org.uk

Hoog boven de Noordzee, op het rustigste moment van de reis, meldt de voorname, discrete stem van de gezagvoerder zich met vluchtinformatie. Wij vliegen 895 km per uur, zegt hij, een mededeling die mij in de oren klinkt als een regelrechte uitdaging. Slechts vijf kilometer erbij, niet meer dan een wandeltempo, en ik ga harder dan 900!

Ik sta op van mijn stoel achterin het toestel, wacht tot de gang voor mij vrij is, werp een snelle blik op mijn horloge en zet het op een lopen. In twaalf seconden ben ik bij de cockpit, intens tevreden: twaalf tellen lang heb ik mij sneller door het luchtruim bewogen dan deze Boeing 757.

Een steward, die mij heeft gadegeslagen, vraagt of hij mij ergens mee kan helpen. Even later stelt hij me voor aan de piloten. Machtige, evenwichtige mannen zijn het, daar achter hun knoppen en klokken, je zou zo je hart bij ze uitstorten. Ik vertel ze dat ik naar Londen ga om een door elastiek aangedreven modelvliegtuigje te zien, dat op zaterdag 28 december 1977 van achteren naar voren door een Concorde van Air France is gevlogen. Het is gemaakt door de Amerikaanse kunstenaar Chris Burden. Hij was in het supersonische toestel op weg van Parijs naar Washington en vloog ongeveer 2240 km per uur. Zijn modelvliegtuigje vloog ongeveer zestien km per uur, dat wil zeggen: zestien km sneller.

“Ja”, zegt de gezagvoerder, die niet de minste moeite heeft met het beschreven kunstwerk, “snelheid is relatief. Dat is Einstein.”

Inderdaad heeft Burden zijn kunstwerk aan Einstein opgedragen, en zijn modelvliegtuigje behoort inmiddels tot het familiebezit van Einsteins nazaten. Op de tentoonstelling 'Speed' in de Londense Whitechapel Art Gallery staat het, tot mijn lichte teleurstelling, op een sokkel en achter glas. Wat ooit supersoon was is nu standbeeld.

Er zijn nog meer standbeelden op de Speed-tentoonstelling. De installatie School of Velocity van Rodney Graham bijvoorbeeld is een standbeeld voor Carl Czerny. Het werk bestaat uit een computergestuurde Yamaha-vleugel en twee enorme tafels waarop 24 gesloten partituren liggen. Deze boeken representeren samen 24 uur muziek. Op alle omslagen staat: Schule der Geläufigkeit/School of Velocity/Carl Czerny. De piano speelt eens in de zoveel tijd een noot of akkoord, om dan weer een hele tijd te zwijgen.

Afgaande op wat er te zien is, blijft het kunstwerk een gesloten boek, net als de partituren, die niet mogen worden aangeraakt. Maar gelukkig is het achterliggende verhaal op de wand geprikt. Czerny, componist tussen Beethoven en Liszt, schreef voor de razendsnel spelende virtuozen van zijn tijd oefeningen waarmee de vingervlugheid kon worden opgevoerd. Graham heeft voor zijn installatie een van die snelle oefenstukken tot in het absurde vertraagd door steeds groter wordende stiltes tussen de noten aan te brengen. Hij heeft daarbij Galileï's wet van de vrije val als leidraad genomen. In dezelfde mate waarmee de snelheid van een vrij vallend voorwerp oploopt, heeft Graham de stiltes tussen Czerny's noten steeds verder opgerekt - tot er tenslotte nauwelijks meer een noot klinkt.

ExtreemGraham toont hier de snelheid als extreme traagheid. Uit wat ik ervan begrijp maak ik op dat er in het eerste van de 24 muziekboeken nog relatief veel noten moeten staan en in het 24ste bijna geen meer. In een moment van onachtzaamheid bij de verder scherp oplettende suppoost kijk ik snel in het eerste en laatste boek, en zie mijn vermoeden bewaarheid.

Fijn, dat heb ik weer gesnapt. Maar als ik doorloop naar de volgende zaal denk ik: en nu een sensatie, nu Speed!

En inderdaad, het eerstvolgende wat ik zie is een groot schilderij dat geen achterliggend verhaal nodig heeft: een autowrak, tot in z'n vezels vernield en aan alle kanten onder het bloed. 30th September 1955 is de titel, Tony Messenger de maker. Het is een kunstwerk dat beslist snelheid uitdrukt, want een auto zo totaal verwoesten kan alleen door verschrikkelijk hard te rijden. En toch is het moeilijk om het schilderij, veertig jaar, miljoenen auto's en duizenden dodelijke ongelukken later, als even schokkend te ervaren als het destijds is geweest. Ik ben bang dat de Messengers inmiddels Ballard en Cronenberg heten, respectievelijk auteur (1973) en verfilmer (1996) van Crash, van hoofdpersonen dus die seksueel opgewonden raken van auto-ongelukken en ze daarom zelf op touw zetten.

Als ik me omdraai en nog eens een blik in de Speed-folder werp, zie ik dat het boek Crash ook deel uitmaakt van deze tentoonstelling - tenminste als ik Mark Edelman Boren moet geloven. Hij heeft een kunstwerk uit 1991 bijgedragen met de titel: Budgie stuffed with JG Ballard's 'Crash'. Het blijkt een opgezette vogel te zijn, een parkiet op een ijzeren pin. Heeft Edelman de roman van Ballard inderdaad verscheurd en er de vogel mee opgevuld? Of zit dat boek helemaal niet in die vogel maar alleen in de titel? Het antwoord doet er niet toe, het gaat om de vragen die Edelman's parkiet oproept: het type vragen dat Piero Manzoni 30 jaar eerder al uitlokte door zijn onovertroffen conservenblikken met Artist's Shit.

Budgie, zo concludeer ik, is een standbeeld voor Manzoni.

Een van die conservenblikken had trouwens best op deze tentoonstelling kunnen prijken. Artist's Shit is, lijkt mij, heel goed met Speed te associëren. Zeker als dat ook kan, zoals de samenstellers van de tentoonstelling hebben gedaan, met de buizen-leunstoel van Marcel Breuer, met het schilderijtje van On Kawara waarop hij in zijn bekende stijl MAY7,1991 heeft geschilderd, met de veertien minuten durende video van Pierre Bismuth waarop een man door een koptelefoon naar L'Histoire du Soldat van Strawinsky zit te luisteren, of met een fotocollage van tachtig keer hetzelfde raam waarachter het licht langzaam verandert, van Jan Dibbets.

Ik geloof zelfs dat Artist's Shit sneller is dan de getoonde auto's van Matisse en Le Corbusier.

Knijpbal

Matisse heeft, in 1917, een auto geschilderd van binnen uit. Het is de volmaakte tegenhanger van Messenger's wrak. Over het stuur en de claxon (met rubberen knijpbal) kijk je door de voorruit, over de motorkap en de koplampen heen, op een laan met bomen. De auto staat stil en ik zie hem ook nog niet rijden. Wel voortpruttelen over de weg en vrolijk toeteren naar de boeren - die het op dat moment nog met een paard moeten doen. Mooi om te zien hoe Matisse onwennig greep probeert te krijgen op zo'n nieuwigheid als de auto. Opeens lijkt hij weer aan zijn techniek te denken en zich als een beginneling te dwingen in een schema van rechte lijnen, symmetrie en perspectief.

Tegenover de vierkante auto van Matisse staat de gestroomlijnde van Le Corbusier, uit 1928. De prachtig gemaakte modelauto lijkt op een Lelijke Eend en zelfs op de recent ontwikkelde Smart, zo hypermodern is hij van vorm. Maar dodelijk voor zijn snelheid is het materiaal waaruit hij is opgetrokken: hout. Daardoor is ook deze Automaxima Car weer, meer dan iets anders, een standbeeld. Een standbeeld voor alle auto's die eigenlijk een boom hadden willen zijn.

Schokbeleving

Ik wil niet de indruk wekken dat ik liever een tentoonstelling had gezien van alleen maar snelle bolides, het tegendeel is het geval. De samenstellers van Speed (Speed - Visions of an Accelerated Age is de volledige titel) hebben terecht niet alleen beelden van de snelheid uitgekozen, maar ook beelden van onze eeuw waarin die snelheid zo'n enorme vlucht kon nemen. Snelheid doortrekt ons hele bestaan, daar is geen ontkomen aan. Hoe trager wij proberen te leven, hoe meer wij de snelheid om ons heen zien, dat begrijp ik helemaal. Het punt is alleen dat ik in Whitechapel de snelheid behalve had willen begrijpen ook had willen ervaren.

Er zijn mensen die beweren dat dat helemaal niet kan, snelheid ervaren. Walter Benjamin bijvoorbeeld zou het ondervinden van snelheid een 'schokbeleving' noemen, maar nadrukkelijk geen ervaring. Volgens hem zette de opkomst van de snelheid aan het eind van de negentiende eeuw, uitgedrukt in het ontstaan van fenomenen als de krant, de auto, de camera en de telefoon, de ervaring hevig onder druk. Wie een krant leest neemt flarden informatie tot zich die geen onderling verband hebben, de krant geeft slechts opzichzelfstaande schokbelevingen. Maar wie geniet van, zoals Benjamin het noemde, de 'geconcentreerde stilte' van een boek, bouwt samenhangende informatie op die kan leiden tot een werkelijke ervaring.

De in 1940 gestorven Benjamin moest eens weten dat wij vandaag het wereldnieuws al tot ons nemen voordat het is gebeurd.

Hij zag als belangrijkste verschil tussen een ervaring en een schokbeleving dat de eerste geheugen heeft en de tweede niet. Maar die geheugenloosheid is nou juist het aantrekkelijke gebleken van de schokbeleving, dat maakt haar elke keer weer nieuw. Ervaringen zijn zo zwaar vaak door al dat geheugen, en vooral: zo traag.

Dat laatste kleeft ook aan de Speed-tentoonstelling, die op een of andere manier de vaart uit haar eigen onderwerp haalt. Het is alsof zij bij ieder beeld de snelheid even stopzet om die beter zichtbaar te maken. Een onmogelijkheid natuurlijk, en het mooie is dat op Speed zelf een werkje te zien is waarin die onmogelijkheid aan de orde wordt gesteld.

Het is een nog dit jaar gemaakt filmpje van Rachel Lowe, anderhalve minuut lang, gemonteerd in een loop. De titel luidt: A Letter to an Unknown Person no. 5. Je ziet een hand die in een hoog tempo met viltstift op de binnenkant van een autoraampje schrijft. De auto rijdt, het landschap glijdt snel voorbij. Het zijn geen woorden die op het raam verschijnen, maar veelvormige kaders. De hand lijkt delen uit het landschap in een lijstje te willen vangen nog voor ze voorbijgeflitst zijn. Een hopeloze opdracht, die er slechts toe leidt dat de autoruit steeds dichter beschreven en het landschap steeds moeilijker zichtbaar wordt.

Korte maar krachtige beelden, ervaring en schokbeleving in één. Ik geloof waarachtig dat ik, op de valreep, nog een Speedsensatie ga meemaken. Zou dat te danken zijn aan het bewegen van Lowe's beelden? Is film naar zijn aard veel beter toegerust om snelheid over te brengen dan stilstaande beeldhouwwerken en schilderijen?

Mussolini

Het antwoord is ja. Alleen al dat snelheid en film samen zijn opgegroeid moet tussen die twee een band als van broer en zus hebben geschapen. Maar dan zie ik nóg een sensationeel kunstwerk. Een standbeeld als geen ander, stil als een huis, maar razendsnel.

De kop van Mussolini!

Renato Bertelli, die het beeld in 1933 maakte, heeft dat vast en zeker gedaan op een pottenbakkersschijf. In een kluit terracotta heeft hij, helemaal rondom, het profiel van Mussolini aangebracht. De zwart geglazuurde kop van de Duce lijkt zonder ophouden in een moordtempo om zijn as te draaien.

Een fabelachtig effekt en een goed moment om afscheid te nemen. Ik ben voldaan en opgelucht, ja opgetogen dat ook standbeelden nog speedy kunnen zijn.

Twintig minuten later word ik door een taxi afgezet bij een restaurant in het centrum van Londen. “Ik heb geen haast”, zeg ik tegen de vrouw die mij naar mijn tafel brengt. Ik haal de catalogus van de Speed-tentoonstelling tevoorschijn en begin te bladeren.

Het is een mooi boek, met een keur aan foto's, niet alleen foto's van kunstwerken die op de tentoonstelling te zien zijn maar ook allerlei andere. Er staan teksten in van JG Ballard, Robert Musil, Peter Sloterdijk en nog veel meer schrijvers.

Mijn oog valt op een tekst van Paul Virilio met de titel The Last Vehicle. Hij begint in een zwembad in Tokio. Daar heeft de schrijver een bassin gezien met een zeer sterke stroming, waarin de zwemmers vooruit moeten zwemmen om op dezelfde positie te blijven. Dat is, lees ik, precies wat wij doen met onze huidige snelheid: die zo hoog mogelijk opvoeren met als enige doel op dezelfde plaats te blijven. Daar kan ik het de rest van de avond wel mee doen.

Als ik twee uur later de deur van het restaurant achter me dicht sla, sta ik middenin een stuwende massa vertier zoekende mensen. Op de golven van hun bewegingen kom ik op Piccadilly Circus terecht, en vandaar min of meer vanzelf op de hoge roltrappen die mij binnenbrengen bij een gigantisch science fiction-achtig complex. Segaworld blijkt het te heten. Ik stop ponden in automaten, sluit aan bij een rij, krijg een enorme bril op en vlieg in een razende vaart tussen wolkenkrabbers door, waarachter allerlei belagers opduiken. Ik knal ze onverbiddelijk naar de andere wereld.