Schilderijen met pluche op de Koninklijke Subsidie

Tentoonstelling: Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst, Paleis op de Dam, Amsterdam. T/m 5 november, dagelijks 12u30-17u. 19 t/m 21, 27 en 28 oktober gesloten.

In het Koninklijk Paleis op de Dam heeft koningin Beatrix gistermiddag de Koninklijke Subsidies voor de vrije schilderkunst uitgereikt aan Arthur den Boer, Mattijs van den Bosch, Natasja Kensmil en Dieuwke Spaans. Aan de subsidie, die 127 jaar geleden werd ingesteld door koning Willem III en is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor schilders tot 35 jaar, is een bedrag verbonden van tienduizend gulden per kunstenaar.

Als er iets opvalt op de tentoonstelling in het Koninklijk Paleis, waar behalve de vier prijswinnaars ook twintig 'eervolle vermeldingen' met één werk vertegenwoordigd zijn, is het dat de jonge schilders het niet zo nauw nemen met de specifieke kenmerken van het medium. Dat een schilderij uit olieverf op doek zou moeten bestaan is een achterhaald gegeven: ook werken met inkt op papier of was op hout worden als schilderijen aangeduid. Latex, pluche, foto's, textiel en zelfs spiegels worden op het doek aangebracht om de huid van het schilderij van textuur te voorzien. Een ander opvallend verschijnsel op deze tentoonstelling zijn de formaten: met schilderijen van soms wel enkele vierkante meters groot trachten de kunstenaars de toeschouwer te imponeren.

Met deze oplossingen lijken de hedendaagse kunstenaars de steeds impopulairder wordende schilderkunst uit het slop te willen halen. Wie als jonge kunstenaar aan het internationale kunstcircus wil deelnemen, moet op zijn minst met foto's of video's aankomen, maar het liefst nog met installaties met geluid of vergankelijke materialen, zo blijkt uit recente tentoonstellingen als de Manifesta in Luxemburg en de Biennale in Berlijn. Snapshots, korte filmpjes en bijeengeraapte rotzooi lenen zich immers beter voor het maken van persoonlijke werken over het alledaagse leven - de huidige trend onder jonge kunstenaars - dan het traditionele en tragere medium van verf op doek.

Ook aan het aantal inzendingen voor de Koninklijke Subsidie is de afnemende belangstelling voor de schilderkunst merkbaar. Hadden zich in 1994 nog 693 schilders aangemeld, de afgelopen jaren daalde dit aantal gestaag naar 422 in 1998. De meeste deelnemers aan de tentoonstelling hebben nog nauwelijks bekendheid in het museale- of galeriecircuit.

Ondanks de grote formaten en de onconventionele materialen maakt het merendeel van de schilderijen weinig indruk. Zelfs de jury heeft in de catalogus moeite haar keuzes voor de winnaars te motiveren en komt niet verder dan wat oppervlakkige beschrijvingen. Zo zouden de grote werken op papier van Dieuwke Spaans, een kunstenares die vorig jaar ook al in de prijzen viel, 'afstotende, dwingende kwaliteiten' bevatten. Spaans' werken tonen inderdaad angstaanjagende scènes, maar het is vooral het onaffe, chaotische karakter van de voorstellingen dat domineert.

Veel kunstenaars werken in een figuratieve stijl en tonen lyrische fantasiewerelden die herinneren aan het surrealisme. Isabelle Simons schilderde een mysterieus kustlandschap waarin twee hoofden op een stapel kleren liggen, Ellemieke Schoenmaker toont een sprookjeswereld vol dunne berkenboompjes en oranje spuitende fontijnen en het schilderij van Patricia Spoelder lijkt nog het meest op een luchtopname van een overstroomd gebied waar huisjes en figuurtjes worden omcirkeld door vreemde ringen in het grijze water. Het zijn ondoorgrondelijke werken van werelden die alleen in dromen kunnen voorkomen.

Tot de beste bijdragen behoren de verstilde beelden van abstract werkende kunstenaars. Intrigerend is het schilderij Lage Opkomst van Jurriaan Molenaar dat bestaat uit een detail van een communistisch gebouw, waarop een groep marcherende arbeiders of soldaten is afgebeeld. En ook het vrijwel geheel grijze doek van Connie van Brummelen maakt indruk. Alleen de hoeken van het schilderij zijn iets donkerder of lichter gekleurd, als bij een vel fotopapier dat even belicht is geweest.

Waarom de jury, die dit jaar bestond uit onder anderen Wim Beeren, Fons Haagmans, Charlotte Schleiffert en Berend Strik, heeft gekozen voor de grauwe, monsterlijke koppen van Natasja Kensmil of de rommelige abstracte composities van Arthur den Boer en niet voor de veel consequentere doeken van Molenaar of Van Brummelen is mij een raadsel. Wellicht dat het publiek, dat zijn stem mag uitbrengen op een van de geëxposeerde werken, tot een betere keuze komt.