Prostitutie in de negentiende eeuw; Hoereren met vallen en opstaan

Martin Bossenbroek en Jan H. Kompagnie: Het Mysterie van de Verdwenen Bordelen. Prostitutie in Nederland in de negentiende eeuw. Bert Bakker, 377 blz. ƒ 49,90

Hulpverleners en zaakwaarnemers in de wereld van de prostitutie hebben er lang voor moeten ijveren, maar nu is hun beloning dan toch binnen handbereik: de afschaffing van artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht, beter bekend als het bordeelverbod, staat voor de deur. Veel meer dan een dode letter is dit verbod niet, zoals iedereen weet die wel eens in de grote stad komt. De binnenkort te verwachten opheffing ervan is dan ook een aanpassing aan de bestaande praktijk, met dien verstande dat het de gemeenten vanaf dat moment is toegestaan om de bordeelprostitutie binnen de eigen grenzen aan regels te onderwerpen en tot een legitieme bedrijfstak te maken. Een noviteit is dat niet, want hiermee keert een situatie terug die in de vorige eeuw langdurig heeft bestaan.

De toenmalige prostitutieregeling was één van de erfenissen van de Franse overheersing. Sinds de inlijving in 1811 gold in ons land de Franse wetgeving, inclusief maatregelen ter regulering van de prostitutie. Die hielden in dat publieke huizen, hoerenwaardinnen en prostituées bij de politie ingeschreven moesten staan. Laatstgenoemden werden bovendien verplicht zich tweewekelijks aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Constateerde de keuringsarts syfilis of een andere venerische kwaal, dan werd een behandeling voorgeschreven en de werkvergunning tijdelijk ingetrokken.

Laisser-aller

De meeste gemeenten hadden weinig op met deze verplichting en hoopten na het vertrek van de Fransen in 1813 de oude traditie van laisser-aller te kunnen hervatten. Het pakte echter anders uit. De centrale overheid, verontrust door het vele krijgsvolk dat met geslachtsziekten in de ziekenboeg verdween, zag wel wat in de voortzetting van de reglementering en oefende op de gemeenten de nodige druk uit om de prostitutie ter plaatse aan regels te binden. Uiteindelijk met redelijk gevolg: tegen de veertig gemeenten kenden in de tweede helft van de negentiende eeuw een of andere vorm van toezicht.

Hoewel het geen doorslaand succes was, riep het reglementaristische project in het laatste kwart van de negentiende eeuw een brede tegenbeweging op. Die was aanvankelijk beperkt tot kringen van orthodox-protestanten, maar op den duur bood de beweging onderdak aan groepen van zeer diverse pluimage: orthodoxen en vrijzinnigen, adellijke dames en vrije vrouwen, juristen en medici, socialisten en antirevolutionairen. Bezield door geloofsijver, morele verontwaardiging, feministische woede en sociale bewogenheid trok het gezelschap ten strijde tegen de 'gewettigde ontucht', zoals de strateeg, inspirator en bindende kracht van de beweging, dominee Hendrik Pierson, de reglementering aanduidde.

De overwinning was zoet: vanaf de jaren negentig schafte de meeste gemeenten de reglementering weer af. Maar een algemene Rijkswet was het hogere doel en met de nieuwe zedelijkheidswetten van 1911 werd dat uiteindelijk bereikt. In de nieuwe wet werd, onder nog veel meer, 'het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden' strafbaar gesteld. Dat deze kroon op het werk van de prostitutiebestrijders nu op het punt staat te worden vernietigd moet op menig kerkhof een waar gewoel veroorzaken.

In de honderd jaar tussen 1811 en 1911 voltrok zich dus een opzienbarende omslag in de waardering van het reglementaristische project; van het paradepaardje van een door ratio en hygiëne geïnspireerde politiek verwerd dit tot een blijk van medeplichtigheid aan uitbuiting en ontucht. Over deze omslag handelt het pas verschenen boek van de twee historici Martin Bossenbroek en Jan Kompagnie: Het Mysterie van de Verdwenen Bordelen. Een ongelukkige titel, want het mysterie zit hem in de kentering van de publieke opinie, niet in de verdwijning van de bordelen. Bossenbroek en Kompagnie laten juist zien dat de verdwijning van bordelen min of meer los stond van de inspanningen van de prostitutiebestrijders. Al in de jaren zestig begon de populariteit van het reguliere bordeel te tanen. De prostitutie waaierde uit, werd zichtbaarder, gevarieerder en spannender. In plaats van willoze bordeelslaven verkoos de cliëntèle steeds vaker de verleiding van meisjes nieuwe stijl, verzameld in het opbloeiende uitgaansleven met zijn cafés, rendez-vous huizen en variété-theaters.

Deze verandering is al vaker geconstateerd en er zijn meerdere verklaringen voor in omloop. Bossenbroek en Kompagnie houden het op 'het gecombineerd effect van welvaartsstijging, communicatierevolutie en groeiend zelfbewustzijn'. Goed mogelijk, maar geen mysterie dus en evenmin de hoofdmoot van het boek.

Het Mysterie van de Verdwenen Bordelen is een bij vlagen bijzonder goed boek, dat met de vele nieuwe gegevens die het biedt een duidelijke toevoeging is aan de uitgebreide literatuur die er al over dit onderwerp bestaat. Zo laten de vele lokale gegevens zien dat de invoering van de reglementering een moeizame aangelegenheid was. De aansporingen van centrale overheid, militaire autoriteiten en gezondheidscommissies stuitten op lokaal niveau op onwil en verzet. Pas na de Gemeentewet van 1851 gingen de meeste gemeenten overstag, maar dan wel elk op haar eigen manier. Toen, zo'n vier decennia later, de eerste bestuurders de reglementering weer introkken, was het al niet anders.

Gesteggel

Ook deze uitkomst was vaak het resultaat van een eindeloos lokaal gesteggel en kende vele varianten. Een eenduidige, door de maatschappelijke elite afgedwongen poging de bevolking tot een zedelijker levenswandel aan te sporen, was het verbod op de bordelen in elk geval niet. Die elite boog vaak pas wanneer zij, in het nauw gedreven door plaatselijke pressiegroepen, niet anders meer kon.

Een andere verheldering die Bossenbroek en Kompagnie aanbrengen is het onderscheid tussen stad en platteland. Aan de kleinste plaatsen ging alles ongemerkt voorbij, om de simpele reden dat hier niets te reglementeren, noch iets te verbieden viel. In de kleine en middelgrote steden verdween de reguliere bordeelprostitutie vanaf de jaren zestig langzaam maar zeker van het toneel, zonder dat er iets voor in de plaats kwam. Voor de huizen die het hoofd nog boven water wisten te houden betekende het landelijke bordeelverbod van 1911 alsnog de nekslag. Hier was dus sprake van, wat Bossenbroek en Kompagnie noemen, een verzedelijking van het openbare leven, een proces dat veelal kenmerkend voor het hele land geacht wordt.

Dat is echter te veel eer, want in de grote steden, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, concentreerde zich de nieuwe, vrije prostitutie. Onder de dekmantel van sigarenwinkel, café en hotel, bloeide de betaalde liefde hier als nooit tevoren. Treurig genoeg voor Pierson en de zijnen had in deze grote steden de lang verwachte Rijkswet voornamelijk een averechts effect, want de nieuwe wetgeving maakte het alleen maar moeilijker de prostitutie aan te pakken. In haar nieuwe vormen was ze al helemaal ongrijpbaar, maar zelfs de oude bordelen lieten zich nauwelijks nog sluiten, nu een bevel van de burgemeester daartoe ontoereikend was geworden. Na 1911 was er een rechterlijk vonnis nodig, met alle problemen van bewijsvoering van dien.

Hoe geslaagd het boek in veel opzichten ook is, vorm en stijl van Het Mysterie zitten de kwaliteit ervan zo nu en dan in de weg. De auteurs introduceren welbewust een element van suspense in hun verhaal door het te gieten in de vorm van een klassieke whodunnit. De traditionele acceptatie van het prostitutiebedrijf is om zeep geholpen en de vraag is: wie heeft dat op zijn geweten? Zo dwingen de auteurs zichzelf om ter afsluiting met een heuse 'Ontknoping' te komen. En die stelt onvermijdelijk teleur. Het werk van Bossenbroek en Kompagnie verrijkt sommige van de bestaande interpretaties en ontkracht andere, maar gepresenteerd als 'onthulling van de ware toedracht' wordt dit voornamelijk lachwekkend.

Nu valt er meer te lachen, want aan grappen is er geen gebrek. Te zeggen dat het boek 'vlot geschreven' is, zou aan de stijl ervan geen recht doen: het is geschreven in een soort vliegende vaart, die op sommige rechte stukken goed voldoet, maar in de bochten minder en die door gebrek aan variatie op den duur gaat tegenstaan. Tempo en toon zijn ingesteld op snel en hilarisch, en zo blijft het ruim driehonderd bladzijden lang. Alsof de cruise control niet werkte en zoals bekend: dan wordt er wel eens iets over het hoofd gezien. Wat er vooral bij inschiet is een serieuze ontleding van de gedachtenwereld en beweegredenen van Piersons brede aanhang.

Oppervlakte

De gebeurtenissen zijn nauwgezet gereconstrueerd, de gangen van de hoofdrolspelers consciëntieus nagegaan, hun volgelingen tot in het kleinste gehucht gelokaliseerd, maar de analyse van de drijfveren van de betrokkenen blijft aan de oppervlakte. De auteurs scheren er langs. Pierson had talent en charisma, formuleerde een oecumenische moraal en bood daardoor voor elk wat wils. Maar in het midden blijft waarom men in brede kring opeens zo vatbaar was voor die moraal. Er waren bovendien wel meer kwesties voorhanden waar morele verontwaardiging op los gelaten kon worden. Waarom trok men juist massaal ten strijde tegen het kreupele paard van de reglementering? Ook dat blijft in het midden.

Het leger van Pierson blijft daardoor te veel een vreemdelingenlegioen, een negentiende-eeuws rariteitenkabinet, waar men op afstand met verbazing naar kijkt. Het is iets dat Bossenbroek en Kompagnie hadden moeten weten: een echte moord vereist een goed motief.