Poëzie van Eva Gerlach; Het iets is niet te delen

Eva Gerlach: Niets bestendiger. De Arbeiderspers, 55 blz. ƒ 29,90

Sommige dichters, lijkt het, hebben geen aanleiding nodig om poëzie te schrijven. Zo'n dichter is Eva Gerlach. In haar oeuvre, dat nu tien indrukwekkende bundels omvat, schijnt alles een aanleiding tot gedicht. Sinds vorig jaar verschenen er dan ook drie publicaties van haar hand: Alles is werkelijk hier, gedichten bij foto's van Vojta Dukát, Hee meneer Eland, poëzie voor kinderen en nu Niets bestendiger.

De kwaliteit van Gerlachs poëzie is verbazingwekkend constant. Dat is niet het gevolg van haar ruime inspiratiebron, maar heeft zoals bij elke goede dichter te maken met hoe ze onder woorden brengt wat haar omringt. Er wordt scherp gekeken in haar gedichten - met als paradoxale conclusie dat de wereld en het leven daarin onoverzichtelijk zijn. En ook deze constatering is weer aanleiding tot een ambiguïteit, die Gerlach in 'Kruim' het mottogedicht van Niets bestendiger, treffend formuleert: Wat heel is, kunnen wij niet zien, het is te groot, het past ons niet en niet in onze hoofden maar wat aan mootjes, haksel is, verkiezeld, kruim, gepureerd, verstoven of ontbonden - al het verdeelde zit voorgoed in ons.

De wereld is weinig geruststellend in de gedichten van Eva Gerlach. Geen ding, geen voorval is wat het aanvankelijk lijkt. In haar kinderpoëzie heeft die conclusie niets beangstigends. Net als in 'The moose', het beroemde gedicht van haar Amerikaanse collega Elizabeth Bishop (1911-1979), heeft het hertebeest in Hee meneer eland iets huiselijks in zijn afwezige aanwezigheid. En zelfs een potloodventer is geen kinderschrik, want: 'Ha,' zei Daan, 'witte billen hè, zag je / hem gaan? Als een scheet door de brandnetels met dat piepkleine / piemeltje onder zijn hand!'

In Gerlachs poëzie voor volwassenen echter klinkt vaak een onzekere, soms dreigende ondertoon. Dat leidt in Niets bestendiger tot potentiële onheilscenario's ('voor hetzelfde / geld rolden wij van de berg af') of, zoals in 'Maar de mier dan', tot de sardonische gedachte dat het zinloos is ergens te willen aankomen: te denken 'dat in aanwezigheid een waarheid huist / groter dan gewoon die van het adres'.

Gerlachs poëzie is vooral ook zo krachtig doordat haar gedichten elk op een heel eigen, weer andere manier subliem vorm geven aan de idee dat de werkelijkheid zich niet vangen laat. Zichtbaar of onzichtbaar is er altijd wel iets onbestemds. Onontkoombaar, zoals de dodendans in het hiernaast afgedrukte,quasi flegmatieke 'Drukte', of luchthartig verzoenend, zoals in 'Park':

In de geopende wereld liep ik met je, de waarheid vonden we zelf wel, die was in ons gelegd. Katjes zaten omgekeerd aan de bomen, de rest kwam ook nog terecht, perfect op zijn kop, geluk was iets speciaal voor ons bedacht.

Een holte hield de dingen licht als puim, ongeneeslijk begonnen we weer met ze nauwelijks te kennen.

Niets blijkt bestendig. 'Niets' is dan ook 'bestendiger dan vlucht', verraadt het citaat van Dick Hillenius vóór in de bundel. In Gerlachs titel is dat citaat gekortwiekt tot een ironische ellips. Ironie is Eva Gerlach immers niet vreemd - al blijft ze ook daarin op milde, haast schuchtere wijze bij haar onderwerp betrokken.

Alles is werkelijk hier luidt de veinzende titel van haar vorig jaar verschenen dichtbundel bij foto's van Vojta Dukát. Ook in Niets bestendiger staan gedichten over werken van deze Tsjechische fotograaf. Dat de foto's ditmaal niet zijn afgedrukt vind ik volop winst. Gerlachs blik is nu onafgeleid te volgen. Het is een tedere, humorvolle blik, met een zelfde warme betrokkenheid als waarmee ze over kinderen schrijft. Dat geldt zeker ook voor haar verzen over werk van andere kunstenaars. 'Natuurlijk ben je bedacht,' dicht ze bij voorbeeld over de Schrijvende vrouw van Vermeer, 'maar wat heb ik daarmee te maken. / Ik wil je alleen maar aanraken / daar waar je op mij wacht / tussen je orthogonalen.'

Er is verleidelijk veel te citeren in Niets bestendiger. Bij herlezing valt er ook steeds meer te ontdekken, want Gerlachs queeste naar benoeming van wat zichzelf wil zijn, dus benoeming weigert, is veelkantig. Illusieloos wordt het nooit, want ze weet van geen ophouden - dus wordt elke illusie door een nieuwe illusie vervangen. Zoals in 'Kleef aan' twee witte zwanen in de sloot na hun sterven door twee nieuwe blijken vervangen: 'zo vanzelfsprekend / of ze van het dode paar het werk / hadden opgekregen. Naar het meer, de brug en / terug om bij de steiger stil te zitten.'

Emoties worden beelden, en beelden emoties. Die spiegelwerking is al minstens een decennium een kenmerk in het oeuvre van Eva Gerlach. Haar kracht is dat de spiegeling zich niet of zeer onverhoeds aan de oppervlakte toont. 'Waar je kijkt daar is de bal niet' heette het in Wat zoekraakt (1994) en in Niets bestendiger klinkt de echo daarvan in 'niets te zien en dat zien'. Ook op zo'n schijnbaar eenvoudige formulering, in een taal die quasi tastend maar vindingrijk doel vindt, heeft Gerlach een onweerlegbaar patent.

Skeptisch genoeg klinkt in haar verzen het besef dat wat er is (of wat ontbreekt) nooit te delen, laat staan te behouden is. Dat mensen ieder een eigen kant opkijken en iets anders zien. Dat er zoals in 'Het stille strand' een branding is, waaraan de ouders 'als obers zwaar beladen' met inktvisruggen om de kinderen te verrassen, zinloos wachten tot ze binnen armbereik komen:

(...) Daar stonden we met onze handen vol ontuig dat zij nooit verlangd, gevraagd, gekozen of van ons, toen dat nog kon, als neiging tot behoud begrepen hadden.

Ze zei het al in 'Kruim'. Het is 'het verdeelde' dat in onze hoofden past. En voorgoed bezielt.

Drukte

Het is raar gesteld met de doden

schuiven in je aan, zitten met hun

holtes in je knieën, hun kootjes

in je vingers een brief te schrijven

even sloom als jezelf, even beperkt op de hoogte

van weerbericht en genade, twijfel en kostprijs

en als het etenstijd is, bedtijd

tijd is om de honden uit te laten

tijd om een kind te krijgen, een man te begraven

altijd lopen zij, meegaand

volgzaam, met hun kammen en doornen hun schaambeen

boven je geslacht hun schedelpan rond je

zinnen hun graat om je merg

in je door, tiktiktik. Alleen

je vel dempt hun drukte een beetje.

Eva Gerlach. Uit: Niets bestendiger